Nederlands (Dutch)

Beknopte installatiegids
00825-0111-4026, Rev FB
Maart 2013
Rosemount 5400-serie
Hoogpresterende contactloze
tweedraads radarniveautransmitter
Beknopte installatiegids
Maart 2013
Over deze gids
Deze installatiegids bevat elementaire richtlijnen voor Rosemount-transmitters
uit de 5400-serie. De gids bevat geen instructies voor configuratie, diagnostiek,
onderhoud, probleemoplossing, explosieveilige, drukvaste of intrinsiek veilige
(I.S.) installaties. Raadpleeg de naslaghandleiding van de Rosemount 5400-serie
(publicatienr. 00809-0100-4026) voor nadere instructies. De handleiding en
deze beknopte installatiegids zijn op www.rosemount.com ook in digitale
vorm beschikbaar.
WAARSCHUWING
Als u deze installatie- en onderhoudsrichtlijnen niet aanhoudt, kan ernstig of dodelijk
letsel het gevolg zijn
 Zorg dat de transmitter volgens de geldende regelgeving wordt geïnstalleerd door daartoe
bevoegd personeel.
 Gebruik de apparatuur uitsluitend volgens de specificaties in deze beknopte installatiegids
en in de naslaghandleiding. Anders zal de apparatuur mogelijk minder bescherming bieden.
 Verricht geen andere onderhoudswerkzaamheden dan vermeld in deze handleiding, tenzij
u daartoe bevoegd bent.
Explosies kunnen ernstig of dodelijk letsel veroorzaken
 Controleer of de bedrijfsomgeving van de transmitter voldoet aan de van toepassing zijnde
specificaties voor explosiegevaarlijke locaties. Raadpleeg Productcertificeringen op
pagina 27 in deze beknopte installatiegids.
 Verbreek de elektrische verbinding voordat u onderhoudswerkzaamheden verricht, om
ontsteking van een ontvlambare of brandbare atmosfeer te voorkomen.
®
 Voordat u een op HART , FOUNDATION™-veldbus of op een Modbus gebaseerde
communicator aansluit in een explosiegevaarlijke atmosfeer dient u zich ervan te verzekeren
dat alle instrumenten in de proceskring zijn geïnstalleerd volgens intrinsiek veilige en
niet-vonkende veldbedradingsmethoden.
 Om proceslekken te voorkomen, mogen alleen O-ringen worden gebruikt die speciaal zijn
ontworpen voor afdichting in combinatie met de bijbehorende flensadapter.
Elektrische schokken kunnen ernstig of dodelijk letsel veroorzaken
 Vermijd aanraken van de draden en aansluitklemmen. De draden kunnen onder hoge
spanning staan, die elektrische schokken kan veroorzaken.
 Controleer of de hoofdvoeding naar de Rosemount 5400-serie transmitter is uitgeschakeld
en of de leidingen naar een eventuele andere externe voeding zijn losgemaakt en niet onder
spanning staan wanneer u de transmitter aansluit.
Antennes met niet-geleidende oppervlakken
Antennes met niet-geleidende oppervlakken (zoals een staafantenne en antenne met
procesafdichting) kunnen onder bepaalde extreme omstandigheden een elektrische lading
genereren op een niveau waarbij stoffen tot ontbranding komen. Als de antenne wordt
gebruikt in een potentieel explosieve omgeving, moeten daarom adequate maatregelen ter
voorkoming van elektrostatische ontlading worden genomen.
2
Maart 2013
Beknopte installatiegids
WAARSCHUWING
Vervanging door niet-goedgekeurde onderdelen of het verrichten van andere
onderhoudswerkzaamheden dan het vervangen van de complete transmitterkop of
sondeconstructie kan de veiligheid in gevaar brengen en is verboden.
Het aanbrengen van wijzigingen aan het product die niet zijn goedgekeurd is ten strengste
verboden, omdat zulke wijzigingen de prestaties op onbedoelde en onvoorspelbare wijze
kunnen veranderen en de veiligheid in gevaar kunnen brengen. Niet-goedgekeurde
wijzigingen die de integriteit van de lassen of flenzen aantasten (bijvoorbeeld het aanbrengen
van extra gaten) zijn van negatieve invloed op de integriteit en veiligheid van het product.
Als producten beschadigd zijn of zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van
Emerson Process Management zijn gemodificeerd, vervallen de apparatuurclassificaties en
-certificeringen. Verder gebruik van beschadigde of zonder voorafgaande schriftelijke
toestemming gemodificeerde producten vindt plaats op eigen risico en kosten van de klant.
Inhoud
Stap 1: Controleer of het systeem gereed is . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 4
Stap 2: Monteer de transmitterkop/antenne . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 5
Stap 3: Bedrading aansluiten . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 8
Stap 4: Configureren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 15
Met veiligheidsinstrumenten uitgeruste systemen (alleen 4–20 mA) . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 22
Productcertificeringen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 27
3
Maart 2013
Beknopte installatiegids
Stap 1: Controleer of het systeem gereed is
Controleer of het systeem kan werken met de betreffende
HART-revisie


Controleer als u op HART gebaseerde systemen voor besturing en
middelenbeheer gebruikt eerst of deze systemen met HART kunnen worden
gebruikt voordat u de transmitter installeert. Niet alle systemen kunnen
communiceren volgens het protocol van HART-revisie 7. Deze transmitter
kan worden geconfigureerd voor HART-revisie 5 of 7.
Zie “Overschakelen op andere HART-revisie” op pagina 4 voor instructies over het
wijzigen van de HART-revisie op de transmitter.
Controleer of het juiste stuurprogramma voor het apparaat
beschikbaar is


Controleer of het meest recente stuurprogramma (DD/DTM) is geïnstalleerd
op uw systemen om zeker te zijn van een correcte communicatie.
Download het nieuwste stuurprogramma via
www.rosemount.com/LevelSoftware.
Apparaatrevisies en -stuurprogramma's Rosemount 5400
Tabel 1 bevat de informatie die u nodig hebt om te verzekeren dat u beschikt over
het juiste stuurprogramma en documentatie voor uw apparaat.
Tabel 1. Apparaatrevisies en -bestanden Rosemount 5400
Firmwareversie1
2A0 en later
1C0 – 1D0
Zoek het stuurprogramma
Universele Apparaatrevisie2
HART-revisie
7
3
5
2
5
2
Lees de instructies
Controleer de functionaliteit
Publicatienummer
handleiding
Veranderingen in de
software3
00809-0100-4026
Rev GA
Zie voetnoot 3 voor een
overzicht van de wijzigingen.
00809-0100-4026
Rev FA
N.v.t.
1. De firmwareversie staat afgedrukt op het etiket op de transmitterkop, bijv. SW 2A0.
2. De apparaatrevisie staat afgedrukt op het etiket op de transmitterkop, bijv. HART Dev Rev 3.
3. HART-revisie 5 en 7 selecteerbaar.
Overschakelen op andere HART-revisie
Als het instrument voor HART-configuratie niet kan communiceren met
HART-revisie 7, laadt de Rosemount 5400-serie een generiek menu met beperkte
functies. Met behulp van de volgende procedure wijzigt u vanuit het generieke
menu de instelling voor de HART-revisie:
1. Manual Setup (handmatige instelling) > Device Information
(apparaatinformatie) > Identification (identificatie) > Message (bericht)

Om over te schakelen op HART-revisie 5 voert u “HART5” in het veld
Message (bericht) in

Om over te schakelen op HART-revisie 7 voert u “HART7” in het veld
Message (bericht) in
4
Beknopte installatiegids
Maart 2013
Stap 2: Monteer de transmitterkop/antenne
Moer,
40 Nm
(30 Lbft)
Bout
Transmitterbehuizing
Borgschroef
(ATEX)
Flens
Kegelantenne
Moer
Pakking
Tankflens
Kegelantenne met flens
1. Plaats een pakking op de bovenkant van de
tankflens.
2. Laat de transmitter met antenne en flens in
de tankopening zakken.
3. Zet de bouten en moeren vast met een
aanhaalmoment dat voldoende is voor de
flens en de gekozen pakking.
Tankopening
Moer,
40 Nm
(30 Lbft)
Bout
Transmitterbehuizing
Antenne met procesafdichting met flens1
1. Plaats de antenne boven op de tankopening.
Borgschroef
(ATEX)
2. Monteer de flens en haal de bouten in
kruiselingse volgorde aan. De
aanhaalmomenten staan vermeld in Tabel 2.
Flens
3. Monteer de transmitterkop en draai de moer
aan met 40 Nm (30 lbft).
4. Trek de flensbouten na 24 uur nog eens aan.
Antenne met
procesafdichting
Tabel 2. Aanhaalmoment voor
procesafdichtingsflenzen.
Tankflens
Moer
Tankopening
Flens
Aanhaalmoment Aanhaalmoment
(Nm)
(lbft)
50 mm (2 inch), 150 lb.
40
30
50 mm (2 inch), 300 lb.
40
30
75 mm (3 inch), 150 lb.
60
44
75 mm (3 inch), 300 lb.
60
44
100 mm (4 inch), 150 lb.
50
37
100 mm (4 inch), 300 lb.
50
37
DN 50 PN 40
40
30
DN 80 PN 40
60
44
DN 100 PN 16
50
37
DN 100 PN 40
50
37
50A 10K
40
30
80A 10K
60
44
100A 10K
50
37
150A 10K
50
37
1. De montage-informatie geldt voor het bijgewerkte antenneontwerp met procesafdichting, ingevoerd in
februari 2012. Antennes die voor deze datum zijn geproduceerd, hebben natte O-ringen en vereisen een andere
installatieprocedure.
5
Maart 2013
Beknopte installatiegids
Vervolg stap 2...
Transmitterbehuizing
Moer
Borgschroef
(ATEX)
Vloeibare
pakking op
schroefdraad
Staafantenne
Staafantenne met draadverbinding
1. Laat de transmitter en de antenne in de tank
zakken.
2. Draai de transmitter totdat hij goed in de
procesaansluiting is vastgezet.
3. Zorg ervoor dat de kabelingangen en het
display de juiste kant op wijzen.
OPMERKING:
Bij tankaansluitingen met NPT-schroefdraad is
een speciale vloeibare pakking nodig voor
drukvaste aansluitingen.
Staafantenne met flens
Transmitterbehuizing
Borgschroef
(ATEX)
Bout
2. Laat de transmitter met antenne en flens in
de tankopening zakken.
Flens
Pakking
Tankflens
Moer
1. Plaats een pakking op de bovenkant van de
tankflens. De dikte en het materiaal van de
pakking moeten geschikt zijn voor het
proces.
Tankopening
Staafantenne
3. Zet de bouten en moeren vast met een
aanhaalmoment dat voldoende is voor de
flens en de gekozen pakking.
Montage op de tank met de Tri-Clamp
1. Plaats een pakking op de bovenkant van de
tankflens.
Moer
Tri-Clamp
Staafantenne
Pakking
Tankaansluiting
Klem
2. Laat de transmitter en de antenne in de tank
zakken.
3. Bevestig de Tri-Clamp met een klem op de
tank.
4. Draai de moer los om de
transmitterbehuizing te kunnen draaien.
5. Draai de transmitterbehuizing zodat de
kabelingangen/het display in de gewenste
richting staan.
6. Haal de moer aan.
Raadpleeg de naslaghandleiding van de Rosemount 5400-serie (publicatienummer
00809-0100-4026) voor informatie over montage van de transmitterkop/antenne.
6
Beknopte installatiegids
Maart 2013
Vervolg stap 2...
Beugelmontage, aan de wand
Transmitterbehuizing
1. Monteer de beugel direct op de wand met
daarvoor geschikte schroeven.
2. Monteer de transmitter met de antenne op de
beugel en zet het geheel met de drie
meegeleverde schroeven vast.
Beugel
Antenne
Transmitterbehuizing
U-bouten
Beugelmontage, op buis
1. Steek de twee U-bouten door de gaten in de
beugel. Er zijn zowel gaten voor montage op een
verticale als op een horizontale buis.
2. Bevestig de klembeugels op de U-bouten en om
de buis.
3. Bevestig de beugel met de vier meegeleverde
moeren aan de buis.
Beugel
4. Monteer de transmitter met de antenne op de
beugel en zet hem met de drie meegeleverde
schroeven vast.
Klembeugel
Antenne
Raadpleeg de naslaghandleiding van de
Rosemount 5400-serie (publicatienr.
00809-0100-4026) voor nadere informatie
over installatie.
7
Beknopte installatiegids
Maart 2013
Stap 3: Bedrading aansluiten
De vereisten voor bedrading en voeding kunnen afhankelijk zijn van de
goedkeuringscertificering. Zoals geldt voor alle vereisten voor de
FOUNDATION-veldbus zijn voor een correcte werking een geconditioneerde
voeding en eindweerstanden vereist.
Gebruik van een bedrading met ommantelde, getwiste draadparen (18–12 AWG)
die geschikt zijn voor de voedingsspanning en goedgekeurd zijn voor gebruik op
explosiegevaarlijke locaties (indien van toepassing) wordt aanbevolen. Zie voor
elektrische informatie zoals de voeding de schema's en tekeningen voor HART-,
Modbus- en FOUNDATION-veldbus op de volgende bladzijden.
OPMERKING:
Laat de instrumentkabel niet naast stroomkabels in kabelgoten lopen of nabij zware
elektrische apparatuur.
Het is belangrijk dat de mantel van de instrumentkabel:
- kort wordt afgesneden en wordt geïsoleerd zodat deze de transmitterbehuizing niet aanraakt
- zonder onderbreking door het hele segment heen is verbonden
- op het voedingsuiteinde wordt verbonden met een goed aardpunt
Aarding
Bij het bedraden van de transmitters moet de aarding op zo'n manier worden
uitgevoerd dat:

de kring wordt geaard bij de voeding

bij installatie van transmitters op metalen tanks moet er een
metaal-op-metaalverbinding zijn tussen het apparaat en de tank

bij een niet-metalen tank de behuizing moet worden geaard op een
aardmassa die niet in verbinding staat met de voeding; hiervoor kan de
externe aardklem worden gebruikt

de behuizing, als de tank is voorzien van een kathodische bescherming, moet
worden geaard op een aardmassa buiten de massa van de kathodische
bescherming; hiervoor kan de externe aansluitklem worden gebruikt.
Bij gebruik van een aansluitblok met overspanningsbeveiliging moet de
aardingsdraad gescheiden zijn van de signaaldraad. Gebruik hiervoor de externe
aardklem.
Zorg voor een aarding (ook de intrinsiek veilige aarde binnen in de ruimte waar de
aansluitklemmen zich bevinden) conform de certificeringen voor
explosiegevaarlijke locaties en de plaatselijke en landelijke richtlijnen voor
elektriciteit.
De effectiefste aardingsmethode voor de transmitterbehuizing is een directe
verbinding met de aarde met minimale impedantie (<1 ).
8
Beknopte installatiegids
Maart 2013
OPMERKING:
Aarding van de transmitterbehuizing met gebruikmaking van de schroefaansluiting van
de doorvoerbuis verschaft soms onvoldoende aarding. Het aansluitblok met
overspanningsbeveiliging verschaft alleen bescherming tegen overspanning als de
transmitterbehuizing correct geaard is. Gebruik de richtlijnen hierboven voor het aarden
van de transmitterbehuizing. Leg aardedraden voor overspanningsbeveiliging niet samen
met signaalbedrading; de aardedraad kan een zeer hoge stroom voeren als er zich een
blikseminslag voordoet.
De transmitter aansluiten
1. Controleer of de voeding is uitgeschakeld.
2. Verwijder het deksel van het aansluitblok (zie onderstaande afbeelding).
3. Trek de kabel door de kabelwartel/-doorvoerbuis. Gebruik bij explosieveilige/
drukvaste installaties uitsluitend kabelwartels of leidingdoorvoeren van een
gecertificeerd explosieveilig of drukvast type. Installeer de bedrading met een
druppellus, waarvan het laagste punt lager is dan de kabel-/leidingdoorvoer.
4. Zie de afbeeldingen op de volgende pagina’s voor het aansluiten van de draden.
5. Verwijder de oranje beschermende plastic transportpluggen. Sluit eventuele
ongebruikte poorten af met de meegeleverde metalen plug.
6. Monteer het deksel en controleer of het deksel stevig aanligt, zodat aan de
vereisten voor explosieveiligheid wordt voldaan (bij het gebruik van
M20-wartels zijn adapters nodig). Zet bij ATEX-, IECEx-, NEPSI-, INMETRO- en
TIIS-installaties het deksel vast met de borgschroef.
7. Sluit de elektrische voeding aan.
OPMERKING:
Gebruik PTFE-tape of een ander afdichtmiddel op de NPT-schroefdraad in de kabelingangen.
Aansluitblok
Blinde plug
meegeleverd
voor ongebruikte
leidingopeningen.
Aansluitklemmen
voor signaal en
voeding
Kabelingang NPT ½
inch—14, of M20 X 1,5
adapter
Kabelingang NPT
½ inch—14, of
M20 X 1,5 adapter
Interne aardschroef
Borgschroef
Externe
aardschroef
Verwijder de oranje beschermende
plastic transportpluggen. Sluit
eventuele ongebruikte poorten af
met de meegeleverde metalen plug.
9
Maart 2013
Beknopte installatiegids
Vervolg stap 3...
HART-communicatie
De Rosemount 5400-serie transmitter werkt met een voedingsspanning tussen
16 – 42,4 V gelijkspanning (16 – 30 V gelijkspanning in intrinsiek veilige
toepassingen, 20 – 42,4 V gelijkspanning in explosieveilige/drukvaste toepassingen
en in niet-vonkende toepassingen/toepassingen met energiebeperking). Voor een
goede werking van alle configuratiehulpmiddelen voor HART-communicatie,
zoals de veldcommunicator en de Rosemount Radar Master, is een minimale
belastingsweerstand (RL) van 250  in de kring vereist; zie onderstaande schema’s.
Niet intrinsiek veilige voeding
Rosemount 5400-serie
radarniveautransmitter
Belastingsweerstand 250 
Voeding
Pc
HARTmodem
Veldcommunicator
OPMERKING:
Rosemount 5400-serie transmitters met drukvaste/explosieveilige uitgang hebben een
ingebouwde barrière; er is geen externe barrière nodig.
Intrinsiek veilige voeding
Rosemount 5400-serie
radarniveautransmitter
Goedgekeurde IS-barrière
RL250 
Voeding
Pc
Veldcommunicator
HARTmodem
Raadpleeg voor parameters voor intrinsieke veiligheid het hoofdstuk Productcertificeringen.
Raadpleeg voor met veiligheidsinstrumenten uitgeruste systemen het gedeelte
“Met veiligheidsinstrumenten uitgeruste systemen (alleen 4–20 mA)” op pagina 22.
10
Beknopte installatiegids
Maart 2013
Vervolg stap 3...
Goedkeuringen type N: niet-vonkende voeding met energiebeperking
Rosemount 5400-serie
radarniveautransmitter
Belastingsweerstand 250 
Voeding
Pc
HARTmodem
Veldcommunicator
HART: Un = 42,4 V
Aansluitblok met overspanningsbeveiliging
Rosemount 5400-serie
radarniveautransmitter
Belastingsweerstand 250 
Voeding
Pc
HARTmodem
Veldcommunicator
11
Beknopte installatiegids
Maart 2013
Vervolg stap 3...
Belastingslimieten
Voor een goede werking van de veldcommunicator is een belastingsweerstand
van ten minste 250  in de kring vereist. De maximale belastingsweerstand kan
worden herleid uit de volgende grafieken.
Niet-gevaarlijke installaties en
niet-vonkende voeding met
energiebeperking
Explosieveilige/drukvaste installaties
R(): Maximale belastingsweerstand U(V):
Externe voedingsspanning
R(): Maximale belastingsweerstand U(V):
Externe voedingsspanning
Intrinsiek veilig
R(): Maximale belastingsweerstand
U(V): Externe voedingsspanning
OPMERKING:
Voor drukvaste/explosieveilige installaties is de grafiek alleen geldig als de
HART-belastingsweerstand zich aan de pluszijde bevindt en als de minzijde geaard is.
Anders wordt de belastingsweerstand beperkt tot 435 .
OPMERKING:
Rosemount 5400-serie transmitters met drukvaste/explosieveilige uitgang hebben een
ingebouwde barrière; er is geen externe barrière nodig.
12
Beknopte installatiegids
Maart 2013
Vervolg stap 3...
FOUNDATION-veldbus
De Rosemount 5400-serie transmitter, versie FOUNDATION-veldbus, werkt met
een voedingsspanning tussen 9 – 32 V gelijkspanning (9 – 30 V gelijkspanning
in intrinsiek veilige toepassingen en 16 – 32 V gelijkspanning in explosieveilige/
drukvaste toepassingen en in niet-vonkende toepassingen/toepassingen met
energiebeperking).
FISCO, intrinsiek veilige (IS) toepassingen: 9 – 17,5 V gelijkspanning
Niet intrinsiek veilige voeding
Rosemount 5400-serie
radarniveautransmitter
Voeding
Pc
Veldcommunicator
Veldbusmodem
OPMERKING:
Rosemount 5400-serie transmitters met drukvaste/explosieveilige uitgang hebben een
ingebouwde barrière; er is geen externe barrière nodig.
Intrinsiek veilige voeding
Rosemount 5400-serie
radarniveautransmitter
Goedgekeurde IS-barrière
Voeding
Pc
Veldcommunicator
Veldbusmodem
Raadpleeg voor parameters voor intrinsieke veiligheid het hoofdstuk Productcertificeringen.
13
Maart 2013
Beknopte installatiegids
Vervolg stap 3...
Goedkeuringen type N: niet-vonkende voeding met energiebeperking
Rosemount 5400-serie
radarniveautransmitter
Voeding
Pc
Veldbusmodem
Veldcommunicator
FOUNDATION-veldbus: Un = 32 V
Raadpleeg voor parameters voor intrinsieke veiligheid het hoofdstuk Productcertificeringen.
RS-485 met Modbus-communicatievoeding
De 5400-serie transmitter met RS-485 en Modbus-communicatie gebruikt een
voeding tussen 8 – 30 V gelijkspanning (max. waarde). Raadpleeg het supplement
bij de handleiding van de Rosemount 5300/5400-serie met HART-naar-Modbusomvormer (publicatienr. 00809-0500-4530) voor nadere informatie.
Elektriciteitsverbruik:
< 0,5 W (met HART-adres = 1)
< 1,2 W (incl. vier HART-slaven)
Als de transmitter de laatste
op de bus is, moet een
afsluitweerstand van 120 
worden aangesloten.
verter
MB
MODBUS
HART to Modbus Converter
(RS-485)
MA
-
MB
MODBUS
MA
-
(RS-485)
HART —
HART +
-
POWER
+
Ambients > 60 ºC
HART Use wiring rated
+
for min 90 ºC
Voeding
120
OPMERKING:
A
RS-485-bus
B
120
Rosemount 5400-serie transmitters met drukvaste/explosieveilige uitgang hebben een
ingebouwde barrière; er is geen externe barrière nodig.
14
Maart 2013
Beknopte installatiegids
Stap 4: Configureren
OPMERKING:
Als de transmitter al in de fabriek is geconfigureerd, hoeft u de volgende stap alleen uit te voeren
als u de instellingen wilt controleren of wijzigen.
De basisconfiguratie kan eenvoudig worden verricht met de Rosemount Radar
Master, een veldcommunicator, de AMS™-suite, DeltaV®, DTM of een ander, met
DD (Device Description) compatibel hostsysteem. Voor geavanceerde
configuratiefuncties wordt de Rosemount Radar Master aanbevolen.
De Rosemount Radar Master Guided Setup (installatie met begeleiding) heeft een
wizard voor basisconfiguratie en een apparaatspecifieke configuratie, die in de
meeste gevallen voldoet. Aanvullende configuratieopties zijn beschikbaar via de
Setup Functions (configuratiefuncties), die staan beschreven in de
naslaghandleiding van de Rosemount 5400-serie (publicatienr.
00809-0100-4026).
Configuratie via de Rosemount Radar Master Guided Setup wordt op de volgende
pagina's beschreven met vermelding van de bijbehorende sneltoetsreeksen voor
de veldcommunicator en de parameters voor de FOUNDATION-veldbus.
De hulp is beschikbaar via de optie Contents (inhoud) in het menu Help.
Hulp is in de meeste vensters tevens beschikbaar via een Help-knop.
De configuratie-instructies in deze beknopte installatiegids gelden
voor standaardinstallaties. Raadpleeg de naslaghandleiding van de
Rosemount 5400-serie (publicatienr. 00809-0100-4026) voor meer
gecompliceerde situaties, bijv. bij zeer turbulente en kokende toepassingen
of bij installaties waarbij objecten het radarsignaal storen.
De Rosemount Radar Master-software installeren
De Rosemount Radar Master-software installeren:
1. Plaats de installatie-cd-rom in het cd-rom-station.
2. Volg de instructies. Als het installatieprogramma niet automatisch start,
voert u Setup.exe uit vanaf de cd-rom.
15
Beknopte installatiegids
Maart 2013
Configuratie met behulp van de Rosemount
Radar Master-software
1. Start Rosemount Radar Master (Programma’s > Rosemount > Rosemount Radar
Master).
2. Maak een aansluiting met de gewenste transmitter. Zodra de transmitter is
aangesloten, verschijnt automatisch het venster Guided Setup (begeleide
installatie).
Wizard uitvoeren
3. Klik op de toets “Run Wizard for guided setup” (Doorloop wizard voor
begeleide installatie). Volg de instructies voor een Basic Configuration
(basisconfiguratie): u doorloopt dan een korte
transmitterinstallatieprocedure met begeleiding.
4. Het eerste venster in de Configuration Wizard bevat algemene informatie
zoals Device Type (type apparaat) (5400), Device Model (model apparaat)
(5401 / 5402), Antenna Type (type antenne), serienummer en
communicatieprotocol. Controleer of de getoonde informatie overeenstemt
met de bestelinformatie. Klik op Next (volgende).
5. In het venster General (algemeen) kunt u de volgende invoer plegen: Tag, Tag
Descriptor1 (tagomschrijving), Message1 (bericht) en Date1 (datum). Deze
informatie is niet nodig voor werking van de transmitter en kan desgewenst
leeg worden gelaten. Klik op Next (volgende).
1. Uitsluitend voor HART-communicatie.
16
Maart 2013
Beknopte installatiegids
6. Kies het Tank Type (tanktype) dat overeenkomt met de gebruikte tank.
Als geen van de beschikbare opties overeenstemt met de aanwezige tank,
kiest u Unknown (onbekend). Handheld HART-communicator: Sneltoetsreeks
[1,3,4,1] Parameter
FOUNDATION-veldbus: TRANSDUCER_1100 > GEOM_TANK_TYPE Tank Bottom Type
(type tankbodem) is van belang voor een goede meetprecisie dicht bij de
tankbodem.
Handheld HART-communicator: Sneltoetsreeks [1,3,4,2] Parameter
FOUNDATION-veldbus: TRANSDUCER_1100 > GEOM_TANK_BOTTOM_TYPE
7. Tank Height (tankhoogte) is de afstand vanaf het bovenste referentiepunt tot
aan de tankbodem. Zorg dat deze waarde zo precies mogelijk is. Zie de
naslaghandleiding (publicatienr. 00809-0100-4026) voor meer informatie.
Handheld HART-communicator: Sneltoetsreeks [1,3,4,3] Parameter
FOUNDATION-veldbus: TRANSDUCER_1100 > GEOM_TANK_HEIGHT
Selecteer het selectievakje Enable Still-pipe/Bridle Measurement
(activeer standpijp/zijomloop meting) en voer de Pipe Inner Diameter
(pijpbinnendiameter) in als de transmitter is geïnstalleerd aan een pijp of
zijomloop.
Handheld HART-communicator: Sneltoetsreeks [1,3,4,4] (functie activeren)
gevolgd door 1,3,4,5
Parameter
FOUNDATION-veldbus:
TRANSDUCER_1100 > SIGNAL_PROC_CONFIG (functie activeren) gevolgd door
TRANSDUCER_1100 > ANTENNA_PIPE_DIAM
17
Beknopte installatiegids
Maart 2013
Klik op Next en het volgende venster verschijnt.
8. Selecteer in het venster Process Condition (procesomstandigheden) de
selectievakjes die overeenstemmen met de omstandigheden in uw tank.
Selecteer zo min mogelijk opties, in elk geval niet meer dan twee. Raadpleeg
de naslaghandleiding van de Rosemount 5400-serie (publicatienr.
00809-0100-4026) voor nadere informatie.
Process Condition (procesomstandigheden)
Handheld HART-communicator: Sneltoetsreeks [1,3,4,6,1] Parameter
FOUNDATION-veldbus: TRANSDUCER_1100 > ENV_ENVIRONMENT
Product Dielectric Constant (diëlektrisch constant product)
Handheld HART-communicator: Sneltoetsreeks [1,3,4,6,2] Parameter
FOUNDATION-veldbus: TRANSDUCER_1100 > ENV_DIELECTR_CONST
Klik op Next en het volgende venster verschijnt.
9. Als volumeberekening gewenst is, kiest u een vooraf gedefinieerde Volume
Calculation Method (methode voor volumeberekening) en tankafmetingen
die gebaseerd zijn op de tankvorm die overeenkomt met de aanwezige tank.
Kies None (geen) als volumeberekening niet gewenst is.
18
Beknopte installatiegids
Maart 2013
Handheld HART-communicator: Sneltoetsreeks [1,3,4,7,1] Parameter
FOUNDATION-veldbus: TRANSDUCER_1300> VOL_VOLUME_CALC_METHOD Kies
Strapping Table (ijktabel) als de aanwezige tank niet overeenstemt met
een van de beschikbare vooraf gedefinieerde tankopties of als een zeer
nauwkeurige volumeberekening gewenst is. Voer tankafmetingen in:
Diameter
Handheld HART-communicator: Sneltoetsreeks [1,3,4,7,2] Parameter
FOUNDATION-veldbus: TRANSDUCER_1300> VOL_IDEAL_DIAMETER
Lengte
Handheld HART-communicator: Sneltoetsreeks [1,3,4,7,3] Parameter
FOUNDATION-veldbus: TRANSDUCER_1300> VOL_IDEAL_LENGTH
Volume Offset (volumeafwijking)
Handheld HART-communicator: Sneltoetsreeks [1,3,4,7,4] Parameter
FOUNDATION-veldbus: TRANSDUCER_1300> VOL_VOLUME_OFFSET
Klik op Next en het volgende venster verschijnt.
OPMERKING:
Het is af te raden dat het 4-20 mA-bereik
de transitiezone of de bovenste nulzone
omvat. Raadpleeg de naslaghandleiding
van de Rosemount 5400-serie
(publicatienr. 00809-0100-4026) voor
nadere informatie.
10. Deze stap is niet van toepassing op de FOUNDATION-veldbus; de parameters
worden in plaats daarvan in het AI-blok ingevoerd.
Kies voor HART-communicatie Primary Variable (PV; primaire variabele).
Handheld HART-communicator: Sneltoetsreeks [1,3,5,1] Specificeer het
bereik van de analoge uitgang door de Upper Range Value (maximale
meetwaarde) (20 mA), en de Lower Range Value (minimale meetwaarde)
(4 mA) in te stellen op de gewenste bijbehorende niveauwaarden.
Handheld HART-communicator: Sneltoetsreeks [1,3,5,2] De Alarm Mode
(alarmmodus) specificeert de uitgangsstatus wanneer er zich een meetfout
voordoet.
Handheld HART-communicator: Sneltoetsreeks [1,3,5,3] De volgende
waarden worden gehanteerd:
19
Beknopte installatiegids
Maart 2013
High (hoog): 21,75 mA (standaard) of 22,5 mA (Namur)
Low (laag): 3,75 mA (standaard)
Freeze (bevriezen): toont de actieve waarde terwijl de fout zich voordoet.
Klik op Next (volgende).
11. De basisconfiguratie met de Radar Master-wizard is hiermee beëindigd. Ga
verder met Guided Setup (begeleide installatie) om te zien of verdere
configuratie vereist is.
Ga verder met stap 2 tot en met 5 in het venster Guided Setup (begeleide
installatie):
 Configureer drempelwaarden en storende echo's.
Handheld HART-communicator: Sneltoetsreeks [2,1,6,2]
 Start het apparaat opnieuw op. Handheld HART-communicator:
Sneltoetsreeks [2,1,6,4]
 Bekijk de actuele waarden van het apparaat.
 Maak een complete back-up van het apparaat.
Zie de naslaghandleiding van de Rosemount 5400-serie (publicatienr.
00809-0100-4026) voor nadere informatie.
Stap 1: Wizard uitvoeren
Stap 2: Configureer drempelwaarden en storende echo's
Stap 3: Herstart het apparaat
Stap 4: Bekijk de actuele waarden van het apparaat
Stap 5: Maak een complete back-up van het apparaat
Installatie — Modbus-communicatieparameters
Handel voor transmitters met de Modbus-optie als volgt om de
communicatieparameters te configureren:
1. Selecteer in het menu Setup (installatie) General (algemeen). Het volgende
venster verschijnt:
2. Selecteer het tabblad Communication (communicatie).
20
Maart 2013
Beknopte installatiegids
3. Klik op Modbus Setup (installatie Modbus).
4. Voer de gewenste communicatie-instellingen voor de Modbus in.
21
Maart 2013
Beknopte installatiegids
Met veiligheidsinstrumenten uitgeruste systemen
(alleen 4—20 mA)
De volgende sectie geldt voor de Rosemount 5400 Prior-Use-optie (optie eerder
gebruik, speciale certificering: QS). Aanvullende informatie over met
veiligheidsinstrumenten uitgeruste systemen (Safety Instrumented Systems; SIS)
is beschikbaar in de naslaghandleiding van de Rosemount 5400-serie
(publicatienr. 00809-0100-4026). De elektronische versie van deze handleiding
is beschikbaar op www.rosemount.com en is tevens verkrijgbaar bij
vertegenwoordigers van Emerson Process Management.
Identificatie van een 5400-transmitter met de optie Prior-Use:
Zoek naar optiecode QS in de modelcode op het etiket dat is aangebracht
op de buitenkant van de transmitterkop, of

Handheld HART-communicator: Sneltoetsreeks [1, 7, 8].
Controleer of het Prior-Use-veiligheidsinstrument ON (aan) is, of

Open Rosemount Radar Master, klik met de rechtermuisknop op het apparaat
en selecteer Properties (eigenschappen). Controleer of het
veiligheidsinstrument (QS-optie) aanwezig is

Installatie
Het apparaat moet worden geïnstalleerd en geconfigureerd als een
peildetecterend instrument, volgens de instructies van de fabrikant. De
materialen moeten geschikt zijn voor de procesomstandigheden en
procesvloeistoffen. Er is geen speciale installatie vereist naast de in dit document
uiteengezette standaardmethode voor installatie.
De naslaghandleiding van de Rosemount 5400-serie (publicatienr.
00809-0100-4026) bevat informatie over de omgevingsgrenswaarden in bijlage
A: Referentiegegevens.
De kring dient zo te zijn ontworpen dat de klemspanning nooit onder de
minimale ingangsspanning daalt (zie waarden in Tabel 3) als de
transmitteruitgang 21,75 mA is.
De ingangsspanning (Ui) voor HART is 16 – 42,4 V gelijkspanning
(16 – 30 V gelijkspanning in IS-toepassingen en 20 – 42,4 V gelijkspanning in
explosieveilige/drukvaste toepassingen).
Tabel 3. Minimale ingangsspanning (Ui) bij verschillende stroomsterkten
Stroomsterkte
Goedkeuring explosiegevaarlijke
omgeving
3,75 mA
21,75 mA
Niet-explosiegevaarlijke installaties en
intrinsiek veilige installaties
16 V gelijkspanning
11 V gelijkspanning
Explosieveilige/drukvaste installaties
20 V gelijkspanning
15,5 V gelijkspanning
Minimale ingangsspanning (Ui)
De HART-lus moet op één punt tussen de voeding en de lastweerstand met de
aarde worden verbonden. Of de negatieve of de positieve pool van de voeding
kan met de aarde worden verbonden, afhankelijk van de plaatsing van de
lastweerstand. Zie Afbeelding 1 als voorbeeld.
22
Beknopte installatiegids
Maart 2013
Afbeelding 1. Referentie-aarde als de lastweerstand in de negatieve lijn is ingebracht
Rosemount 5400-serie
radarniveautransmitter
Voeding
Lastweerstand
Referentie-aarde voor
enkelepuntslus
Aarde transmitterbehuizing
Configuratie
Gebruik een voor HART geschikte master zoals een Rosemount Radar Master of
veldcommunicator voor communicatie met, en controle van de configuratie van,
de Rosemount 5400-serie. Een compleet overzicht van configuratiemethoden
vindt u in de naslaghandleiding van de Rosemount 5400-serie (publicatienr.
00809-0100-4026). Deze instructies zijn van toepassing op de Rosemount 5400
QS-optie inclusief verschillen met andere opties.
OPMERKING:
De Rosemount 5400-serie transmitter is niet voor veiligheid geclassificeerd tijdens
onderhoudswerkzaamheden, configuratiewijzigingen, multidrops, kringtesten of andere
activiteiten die van invloed zijn op de veiligheidsfunctie. Tijdens zulke activiteiten moet de
veiligheid van het proces op een andere wijze worden gewaarborgd.
Demping
Als de demping door de gebruiker wordt aangepast, is dat van invloed op
het vermogen van de transmitter om op procesveranderingen te reageren.
De dempingswaarde + reactietijd mag daarom nooit meer zijn dan de vereisten
van de regelkring.
Alarm- en verzadigingsniveaus
DCS of Safety Logic Solver moet zo worden geconfigureerd dat het geschikt is
voor zowel Hoog alarm als Laag alarm. Ook moet de transmitter geconfigureerd
worden voor Hoog of Laag alarm. Tabel 4 geeft aan welke alarmniveaus
beschikbaar zijn met bijbehorende bedrijfswaarden.1
1. In sommige gevallen schakelt de transmitter niet in de door de gebruiker gekozen alarmtoestand. Bij kortsluiting
komt de transmitter bijvoorbeeld in de toestand High Alarm (hoog alarm) te staan, zelfs als Low Alarm (laag alarm)
is geconfigureerd.
23
Maart 2013
Beknopte installatiegids
Tabel 4. Alarmniveaus en bedrijfswaarden
Rosemount-alarmniveau
Normaal gebruik
3,75 mA1
4 mA
20 mA
3,9 mA lage
verzadiging
21,75 mA2
20,8 mA hoge
verzadiging
Namur-alarmniveau
Normaal gebruik
3,75 mA1
4 mA
20 mA
3,8 mA lage
verzadiging
22,5 mA2
20,5 mA hoge
verzadiging
1. Transmitterstoring, hardware- of software-alarm in stand Low (laag).
2. Transmitterstoring, hardware- of software-alarm in stand High (hoog).
Zie voor aanwijzigen over de instellingen van het alarmniveau in de
naslaghandleiding van de Rosemount 5400-serie (publicatienr.
00809-0100-4026) het gedeelte “Analoge uitgang”.
OPMERKING:
Voor de veiligheidsfunctie kunnen alleen de modus High Alarm (hoog alarm) en Low Alarm
(laag alarm) worden gebruikt. Selecteer niet de optie Freeze Current (stroom bevriezen),
omdat er dan geen fout wordt gemeld in de stroomkring.
Schrijfbeveiliging
Een Rosemount 5400-serie transmitter kan door middel van wachtwoordbeveiliging
worden beschermd tegen onbedoelde configuratiewijzigingen. Het verdient
aanbeveling de schrijfbeveiliging te gebruiken die wordt beschreven in de
naslaghandleiding van de Rosemount 5400-serie (publicatienr. 00809-0100-4026),
in het gedeelte “Een transmitter schrijfbeveiliging geven”.
Locatie-aanvaarding
Na installatie en configuratie moet worden gecontroleerd of de transmitter
correct werkt. Een locatie-aanvaardingstest wordt daarom aanbevolen. Hiervoor
kan de in deze sectie beschreven proefneming worden gebruikt. Het verdient
aanbeveling de werking van de transmitter opnieuw te controleren nadat de
configuratie is gewijzigd.
24
Maart 2013
Beknopte installatiegids
Gebruik en onderhoud
De Prior-Use-optie van de Rosemount 5400-serie dient regelmatig te worden
getest om te controleren of de functies die bescherming bieden tegen overvullen
en een lege tank resulteren in de gewenste respons van het systeem. Hiervoor
wordt de volgende proefneming aanbevolen. Als er een fout wordt geconstateerd
in de veiligheidsfuncties, moet het meetsysteem buiten gebruik worden gesteld en
het proces met behulp van andere methoden worden beveiligd.
De resultaten van de proefneming en de corrigerende maatregelen moeten
worden gedocumenteerd op www.emersonprocess.com/rosemount/safety.
De frequentie waarmee de proefneming dient te geschieden, is afhankelijk van de
transmitterconfiguratie en de procesomgeving. Zie de naslaghandleiding en het
rapport Failure Modes, Effects, and Diagnostic Analysis (storingsmodi, effecten
en diagnostische analyses; FMEDA) voor nadere informatie.
Proefneming
Deze test zal circa 95 % van alle mogelijke DU-storingen (gevaarlijke, niet
gedetecteerde storingen) in de transmitter detecteren. Raadpleeg de
naslaghandleiding van de Rosemount 5400-serie (publicatienr. 00809-0100-4026)
voor nadere informatie en instructies. Voordat deze test wordt verricht, dient de
echocurve te worden geïnspecteerd om te controleren of er in de tank geen
storende echo’s zijn die de meetprestaties beïnvloeden.
Benodigd gereedschap: Veldcommunicator en mA-meter.
1. Omzeil de logic solver of neem andere maatregelen om vals trippen te
voorkomen.
2. Schakel de schrijfbeveiliging uit als die functie is ingeschakeld.
3. Voer via de kringtest de mA-waarde in die de uitgangsstroom voor een hoge
alarmtoestand vertegenwoordigt. Controleer met de referentiemeter of de
analoge stroom die waarde bereikt. Hiermee test u op problemen met het
spanningsbereik, zoals een lage voedingsspanning voor de kring of een verhoogde
draadweerstand.
4. Voer via de kringtest de mA-waarde in die de uitgangsstroom voor een lage
alarmtoestand vertegenwoordigt. Controleer met de referentiemeter of de
analoge stroom die waarde bereikt. Met deze stap test u op mogelijke
sluimerende stroomgerelateerde storingen.
5. Verricht een tweepunts kalibratiecontrole van de transmitter door het
productniveau op twee punten in het meetbereik af te stellen1. Controleer
aan de hand van een bekende referentiewaarde of de uitgangsstroom
overeenstemt met de niveau-ingangswaarden.
Met deze stap controleert u of de analoge uitgang correct is binnen het
bedrijfsbereik en of de primaire variabele goed is geconfigureerd.
6. Schakel de schrijfbeveiliging in.
7. Stel de kring weer in bedrijf.
8. Hef de omzeiling van de safety logic solver op of herstel de gewone werking
anderszins.
1. Gebruik voor optimale prestaties de bereikpunten 4 – 20 mA als kalibratiepunten.
25
Beknopte installatiegids
Maart 2013
9. Documenteer de testresultaten voor toekomstig gebruik.
Zie voor het oplossen van problemen met de transmitter hoofdstuk 7:
“Onderhoud en probleemoplossing” in de naslaghandleiding van de
Rosemount 5400-serie (publicatienr. 00809-0100-4026).
Inspectie
Visuele inspectie
Het wordt aanbevolen de antenne te inspecteren op afzettingen en verstopping.
Speciaal gereedschap
Niet vereist.
Reparaties van het product
Alle door de diagnostische functies van de transmitter of bij de proefneming
gedetecteerde storingen moeten worden gemeld. Reacties kunnen elektronisch
worden ingediend op www.emersonprocess.com/rosemount/safety (Contact Us
[neem contact met ons op]).
De Rosemount 5400-serie kan worden gerepareerd door hoofdonderdelen te
vervangen. Aanvullende informatie is te vinden in de naslaghandleiding van de
Rosemount 5400-serie (publicatienr. 00809-0100-4026).
Referenties
Specificaties
De Rosemount 5400-serie moet worden gebruikt overeenkomstig de functie- en
prestatiespecificaties in bijlage A: 'Referentiegegevens' in de naslaghandleiding
van de Rosemount 5400-serie (publicatienr. 00809-0100-4026).
Storingsfrequentiegegevens
Het FMEDA-rapport bevat storingsfrequenties en schattingen voor
gemeenschappelijke bètafactoren. Het complete rapport is te vinden op
www.emersonprocess.com.
OPMERKING:
Storende echo's in het radarsignaal afkomstig van obstructies kunnen ertoe leiden dat de
Rosemount 5400-serie niet langer kan worden gebruikt voor veiligheidsgerelateerde
functies met de vermelde storingsfrequenties, velige storingsfractie, en PFDAVG. Met
behulp van gereduceerde proefnemingsfrequenties kunnen dergelijke onwenselijke
oorzaken echter worden opgespoord.
Nuttige levensduur
De gedocumenteerde storingsfrequenties van elektrische onderdelen gelden
voor de nuttige levensduur, die aan de hand van ervaring moet worden bepaald.
Volgens IEC 61508-2, 7.4.7.4, noot 3 ligt de nuttige levensduur voor transmitters
vaak tussen de 8 en 12 jaar.
26
Maart 2013
Beknopte installatiegids
Productcertificeringen
Overeenstemming EU
De EG-verklaring van overeenstemming staat op pagina 34. De recentste versie
van de EG-verklaring van overeenstemming vindt u op www.rosemount.com.
Met veiligheidsinstrumenten uitgeruste systemen
(safety instrumented systems; SIS)
De Rosemount 5400-serie is beoordeeld door een derde partij, de SP (Technisch
Onderzoeksinstituut van Zweden), aan de hand van hardwarevereisten volgens
IEC 61508. Met een FMEDA-rapport (FMEDA=Failure Modes, Effects and
Diagnostic Analysis [storingsmodi, effecten en diagnostische analyse]) met een
SFF (Safe Failure Fraction [veilige storingsfractie]) hoger dan 80 %, is de 5400
geschikt voor gebruik in een SIS volgens de Prior Use-methode. Ga voor meer
informatie naar: http://emersonprocess.com/rosemount/safety/. Met de
optiecode QS kunt u het certificaat van FMEDA-gegevens bestellen.
Certificeringen explosiegevaarlijke locaties
Certificeringen Noord-Amerika
Goedkeuringen Factory Mutual (FM)
Project-ID: 3020497
Mededeling aangaande veiligheid:
Ten behoeve van de intrinsieke veiligheid moet er altijd een veiligheidsisolator worden
gebruikt, bijvoorbeeld een zener-barrière.
E51 explosieveilig:
Explosieveilig voor klasse I, divisie 1, groep B, C en D.
Stofontstekingsbestendig voor klasse II/III, divisie 1, groep E, F en G met intrinsiek
veilige aansluitingen op klasse I, II, III, divisie 1, groep B, C, D, E, F en G.
Temperatuurcode T4.
Grenswaarden omgevingstemperatuur: –50 °C tot +70 °C2.
Afdichting niet vereist.
Goedkeuring geldt voor opties voor HART, FOUNDATION-veldbus en Modbus.
I5, IE1 Intrinsiek veilig, FISCO en niet-vonkend:
Intrinsiek veilig voor klasse I, II, III, divisie 1, groep A, B, C, D, E, F en G. Klasse I, zone 0,
AEx ia IIC T4 indien geïnstalleerd volgens controletekening: 9150079-905.
Niet-vonkend voor klasse I, divisie 2, groep A, B, C en D. Geschikt voor klasse II, III,
divisie 2, groep F en G.
4–20 mA/HART-model:
Ui = 30 Vdc, Ii = 130 mA, Pi = 1,0 W, Ci = 7,26 nF, Li = 0 H.
Max. bedrijf: 42,4 V, 25 mA
1. Bestelinformatiecode voor productcertificeringen. Zie voor meer informatie het gegevensblad voor de
Rosemount 5400-serie (publicatienr. 00813-0100-4026) of de naslaghandleiding van de Rosemount 5400-serie
(publicatienr. 00809-0100-4026).
2. +60 °C met optie voor FOUNDATION-veldbus of FISCO.
27
Beknopte installatiegids
Maart 2013
Model FOUNDATION-veldbus:
Ui = 30 Vdc, Ii = 300 mA, Pi = 1,3 W, Ci = 0 nF, Li = 0 H.
Max. bedrijf: 32 V, 25 mA
FISCO-model: Ui = 17,5 Vdc, Ii = 380 mA, Pi = 5,32 W, Li = Ci = 0.
Temperatuurcode T4.
Grenswaarden omgevingstemperatuur: –50 °C tot +70 °C1 Goedkeuring geldt voor
opties voor HART, FOUNDATION-veldbus en FISCO.
Goedkeuringen Canadian Standards Association (CSA)
Certificaat: 1514653
De productopties met de markering voor dubbele afdichting voldoen aan de vereisten van
dubbele afdichting van ANSI/ISA 12.27.01-2003.2
Aankondiging dubbele afdichting2
Doorbreken van de secundaire afdichting wordt aangekondigd door lekkage van product
uit de ontluchtingsopeningen van de antenne.
Onderhoud van dubbele afdichting2
Onderhoud niet vereist. Controleer de juiste werking door het lekpad vrij te houden van ijs
en verontreinigingen.
E63 explosieveilig bij interne intrinsiek veilige kringen [Exia].
Klasse I, divisie 1, groep B, C en D.
Temperatuurcode T4.
Klasse II, divisie 1 en 2, groep E, F en G.
Klasse III, divisie 1
Model FOUNDATION-veldbus:
Ui = 30 Vdc, Ii = 300 mA, Pi = 1,3 W, Ci = 0 nF, Li = 0 H.
Grenswaarden omgevingstemperatuur –50 °C tot +70 °C1 In de fabriek afgedicht.
Goedkeuring geldt voor opties voor HART, FOUNDATION-veldbus en Modbus.
I6, IF3 intrinsiek veilig Exia:
Klasse I, divisie 1, groep A, B, C en D.
Temperatuurcode T4.
4–20 mA/HART-model: Ui = 30 Vdc, Ii = 130 mA, Pi = 1,0 W, Ci = 7,26 nF, Li = 0 H.
Model FOUNDATION-veldbus: Ui = 30 Vdc, Ii = 300 mA, Pi = 1,3 W, Ci = 0 nF, Li = 0 H.
FISCO-model: Ui = 17,5 Vdc, Ii = 380 mA, Pi = 5,32 W, Li = Ci = 0.
Installatietekening: 9150079-906
Grenswaarden omgevingstemperatuur –50 °C tot +70 °C1.
Goedkeuring geldt voor opties voor HART, FOUNDATION-veldbus en FISCO.
Zie voor meer informatie over productcertificaten de naslaghandleiding van de
Rosemount 5400-serie (publicatienummer 00809-0100-4026).
1. +60 °C met optie voor FOUNDATION-veldbus of FISCO.
2. Niet verkrijgbaar met staafantennes (modelcode 1R-4R)
3. Bestelinformatiecode voor productcertificeringen. Zie voor meer informatie het gegevensblad voor de
Rosemount 5400-serie (publicatienr. 00813-0100-4026) of de naslaghandleiding van de Rosemount 5400-serie
(publicatienr. 00809-0100-4026).
28
Maart 2013
Beknopte installatiegids
Europese certificeringen
ATEX-goedkeuringen
Speciale voorwaarden voor veilig gebruik (X)
De intrinsiek veilige stroomkringen zullen de test op 500 V wisselspanning zoals
gespecificeerd in IEC 60079-11 clausule 6.4.12 niet met goed gevolg doorstaan.
Er moet rekening worden gehouden met risico's als gevolg van stootbelasting en frictie
overeenkomstig EN 60079-0 clausule 8.1.2 wanneer de transmitter en antenneonderdelen
die blootstaan aan de buitenomgeving van de tank zijn vervaardigd van legeringen uit
lichtmetaal en van categorie II 1G EPL Ga. Delen van de staafantenne en de antenne van
PTFE zijn niet-geleidend en het oppervlak van het niet-geleidende gedeelte is groter dan de
maximaal toelaatbare oppervlakten voor groep IIC volgens IEC 60079-0 clausule 7.3: 20
cm2 voor II 2G EPL Gb en 4 cm2 voor II 1G EPL Ga. Als de antenne wordt gebruikt in een
potentieel explosieve omgeving moeten daarom adequate maatregelen ter voorkoming
van elektrostatische ontlading worden genomen. De Ex ia-versie van model 5400 kan
worden voorzien van een Ex ib gecertificeerde veiligheidsbarrière. Het volledige circuit
wordt dan als type Ex ib beschouwd. De antenne wordt geclassificeerd als EPL Ga en wordt
elektrisch gescheiden van het Ex ia- of ib-circuit.
E11 drukvast:
II 1/2G Ex ia/db ia IIC T4 Ga/Gb
II 1D Ex ta IIIC T79 °C2
Nemko 04ATEX1073X
–40 °C < Ta < +70 °C3
Um = 250 V
Goedkeuring geldt voor opties voor HART, FOUNDATION-veldbus en Modbus.
I1, IA1 intrinsiek veilig en FISCO-model:
II 1/2G Ex ia IIC T4 Ga/Gb
II 1D Ex ta IIIC T79 °C2
Nemko 04ATEX1073X
–50 °C < Ta < +70 °C3
4–20 mA/HART-model: Ui = 30 Vdc, Ii = 130 mA, Pi = 1,0 W, Ci = 7,26 nF, Li = 0 H.
Model FOUNDATION-veldbus: Ui = 30 Vdc, Ii = 300 mA, Pi = 1,5 W, Ci = 4,95 nF, Li = 0 H.
FISCO-model: Ui = 17,5 Vdc, Ii = 380 mA, Pi = 5,32 W, Ci = 4,95 nF, Li < 1 H.
Installatietekening: 9150 079-907
Goedkeuring geldt voor opties voor HART, FOUNDATION-veldbus en FISCO.
N11 type n:
II 3G Ex nA IIC T4 Gc
–50 °C < Ta < +70 °C3
II 3G Ex nL IIC T4 Gc
Nemko 10ATEX1072
4–20 mA/HART-model: Un = 42,4 V4
Model FOUNDATION-veldbus: Un = 32 V4
Goedkeuring geldt voor opties voor HART en FOUNDATION-veldbus. Installatietekening:
9240031-958
1. Bestelinformatiecode voor productcertificeringen. Zie voor meer informatie het gegevensblad voor de
Rosemount 5400-serie (publicatienr. 00813-0100-4026) of de naslaghandleiding van de Rosemount 5400-serie
(publicatienr. 00809-0100-4026).
2. +69 °C met optie voor FOUNDATION-veldbus of FISCO.
3. +60 °C met optie voor FOUNDATION-veldbus of FISCO.
4. Geldig voor Ex nL.
29
Beknopte installatiegids
Maart 2013
Certificeringen Brazilië
Goedkeuringen INMETRO
Speciale voorwaarden voor veilig gebruik (X)
Tijdens installatie moet rekening worden gehouden met het feit dat de apparatuur niet
bestand is tegen 500 V a.c. volgens punt 6.3.12 van IEC 60079-11:2006. Als de behuizing
van de niveautransmitter in zone 0 wordt geïnstalleerd, moet er extra op worden gelet dat
apparatuur met een aluminium behuizing niet wordt blootgesteld aan risico van wrijving of
stoten. De Ex ia-versie van model 5400 kan worden voorzien van een gecertificeerde Ex
ib-veiligheidsbarrière. Het volledige circuit wordt dan als type Ex ib beschouwd. De antenne
wordt geclassificeerd als EPL Ga en wordt elektrisch gescheiden van het Ex ia- of Ex
ib-circuit.
Certificaat: NCC 3815/07X
Normen:
ABNT NBR IEC: 60079-0:2008, 60079-1:2009, 60079-11:2009, 60079-26:2008
IEC 60079-31:2008
E21 drukvast:
4–20 mA/HART-model:
Ex ia/db ia IIC T4 Ga/Gb
Ex ta IIIC T79 °C IP66/67
–40 °C < Ta < +70 °C
Um = 250 V
Model FOUNDATION-veldbus
Ex ia/db IIC T4 Ga/Gb
Ex ta IIIC T69 °C IP66/67
–40 °C < Tomg < +60 °C
Um = 250 V
MODBUS-model:
Ex ia/db ia IIC T4 Ga/Gb
Ex ta IIIC T79 °C IP66/67
–40 °C < Tomg < +70 °C
Um = 250 V
1. Bestelinformatiecode voor productcertificeringen. Zie voor meer informatie het gegevensblad voor de
Rosemount 5400-serie (publicatienr. 00813-0100-4026) of de naslaghandleiding van de Rosemount 5400-serie
(publicatienr. 00809-0100-4026).
30
Maart 2013
Beknopte installatiegids
I21 intrinsiek veilig:
4–20 mA/HART-model:
Ex ia IIC T4 Ga/Gb
Ex ta IIIC T79 °C IP66/67
–50 °C < Tomg < +70 °C
Ui = 30 Vdc, Ii = 130 mA, Pi = 1,0 W, Li = 0 H, Ci = 7,26 nF.
Model FOUNDATION-veldbus:
Ex ia IIC T4 Ga/Gb
Ex ta IIIC T69 °C IP66/67
–50 °C < Tomg < +60 °C
Ui = 30 Vdc, Ii = 300 mA, Pi = 1,5 W, Li = 0 H, Ci = 4,95 nF.
Installatietekening: 9150 079-907
IB1 FISCO-model:
Ex ia IIC T4 Ga/Gb
Ex ta IIIC T69 °C IP66/67
–50 °C < Tomg < +60 °C
Ui = 17,5 Vdc, Ii = 380 mA, Pi = 5,32 W, Li < 1 H, Ci = 4,95 nF.
Installatietekening: 9150 079-907
Chinese certificeringen
Goedkeuringen National Supervision and Inspection Center for
Explosion Protection and Safety of Instrumentation (NEPSI)
Speciale voorwaarden voor veilig gebruik (X)
Zie certificaat GYI111229X.
E31 drukvast:
HART-model:
Ex d ia IIC T4 (–40 °C < Tomg < +70 °C) DIP A20 Tomg = 79 °C
Model FOUNDATION-veldbus:
Ex d ia IIC T4 (–40 °C < Tomg < +60 °C) DIP A20 Tomg = 69 °C
Goedkeuring geldt voor opties voor HART, FOUNDATION-veldbus en Modbus.
I31 intrinsiek veilig:
HART-model:
Ex ia IIC T4 (–50 °C < Tomg < +70 °C) DIP A20 Tomg = 79 °C
4–20 mA/HART-model:
Ui = 30 V, Ii = 130 mA, Pi = 1,0 W, Ci = 7,26 nF, Li = 0 H.
Model FOUNDATION-veldbus:
Ex ia IIC T4 (–50 °C < Tomg < +60 °C) DIP A20 Tomg = 69 °C
Ui = 30 V, Ii = 300 mA, Pi = 1,5 W, Ci = 4,95nF, Li = 0 H.
Installatietekening: 9150 079-907.
Goedkeuring geldt voor opties voor HART en FOUNDATION-veldbus.
IC1 FOUNDATION-veldbus FISCO-model:
Ex ia IIC T4 (–50 °C < Tomg < +60 °C) DIP A20 Tomg = 69 °C
Ui = 17,5 V, Ii = 380 mA, Pi = 5,32 W, Ci = 4,95 nF, Li <1 H.
1. Bestelinformatiecode voor productcertificeringen. Zie voor meer informatie het gegevensblad voor de
Rosemount 5400-serie (publicatienr. 00813-0100-4026) of de naslaghandleiding van de Rosemount 5400-serie
(publicatienr. 00809-0100-4026).
31
Beknopte installatiegids
Maart 2013
Japanse certificeringen
Goedkeuring Technology Institution of
Industrial Safety (TIIS)
Certificaten: TC20109-TC20111 (HART) en TC20244-TC20246 (FOUNDATION-veldbus)
E41 drukvast:
Transmitter: Ex d [ia] IIC T4X
Antenne: Ex ia IIC T4X
–20 °C < Tomg < +60 °C
Installatietekening: 05400-00375
Goedkeuring geldt voor opties voor HART en FOUNDATION-veldbus.
Certificeringen IECEx
Goedkeuringen IECEx
Speciale voorwaarden voor veilig gebruik (X)
De intrinsiek veilige stroomkringen zullen de test op 500 V wisselspanning zoals
gespecificeerd in IEC 60079-11 clausule 6.4.12 niet met goed gevolg doorstaan.
Er moet rekening worden gehouden met risico's als gevolg van stootbelasting en frictie
overeenkomstig EN 60079-0 clausule 8.1.2 wanneer de transmitter en antenneonderdelen
die blootstaan aan de buitenomgeving van de tank zijn vervaardigd van legeringen uit
lichtmetaal en van categorie EPL Ga. Delen van de staafantenne en de antenne van PTFE zijn
niet-geleidend en het oppervlak van het niet-geleidende gedeelte is groter dan de
maximaal toelaatbare oppervlakten voor groep IIC volgens IEC 60079-0 clausule 7.3: 20
cm2 voor EPL Gb en 4 cm2 voor EPL Ga. Als de antenne wordt gebruikt in een potentieel
explosieve omgeving, moeten daarom adequate maatregelen ter voorkoming van
elektrostatische ontlading worden genomen. De Ex ia-versie van model 5400 kan worden
voorzien van een Ex ib gecertificeerde veiligheidsbarrière. Het volledige circuit wordt dan
als type Ex ib beschouwd. De antenne wordt geclassificeerd als EPL Ga en wordt elektrisch
gescheiden van het Ex ia- of ib-circuit.
E71 drukvast:
Ex ia/db ia IIC T4 Ga/Gb
Ex ta IIIC T79°C2
IECEx NEM 06.0001X
–40 °C < Tomg < +70 °C3
Um = 250 V
Goedkeuring geldt voor opties voor HART, FOUNDATION-veldbus en Modbus.
1. Bestelinformatiecode voor productcertificeringen. Zie voor meer informatie het gegevensblad voor de
Rosemount 5400-serie (publicatienr. 00813-0100-4026) of de naslaghandleiding van de Rosemount 5400-serie
(publicatienr. 00809-0100-4026).
2. +69 °C met optie voor FOUNDATION™-veldbus of FISCO.
3. +60 °C met optie voor FOUNDATION™-veldbus of FISCO.
32
Maart 2013
Beknopte installatiegids
I7, IG1 intrinsiek veilig en FISCO-model:
Ex ia IIC T4 Ga/Gb
Ex ta IIIC T 79 °C2
IECEx NEM 06.0001X
–50 °C < Tomg < +70 °C3
4–20 mA/HART-model:
Ui = 30 Vdc, Ii = 130 mA, Pi = 1,0 W, Ci = 7,26 nF, Li = 0 H.
Model FOUNDATION-veldbus:
Ui = 30 Vdc, Ii = 300 mA, Pi = 1,5 W, Ci = 4,95 nF, Li = 0 H.
FISCO-model:
Ui = 17,5 Vdc, Ii = 380 mA, Pi = 5,32 W, Ci = 4,95 nF, Li < 1 H.
Installatietekening: 9150079-907
Goedkeuring geldt voor opties voor HART, FOUNDATION-veldbus en FISCO.
N71 type n:
Ex nA IIC T4
–50 °C < Tomg < +70 °C3
Ex nL IIC T4
IECEx NEM 10.0005
4–20 mA/HART-model: Un = 42,4 V4
Model FOUNDATION-veldbus: Un = 32 V4
Goedkeuring geldt voor opties voor HART en FOUNDATION-veldbus.
Installatietekening: 9240031-958
Overige certificeringen
Overloopbeveiliging
Cert.-nr.: Z-65.16-475
U1 TÜV-getest en goedgekeurd door DIBt voor overloopbeveiliging volgens de Duitse
WHG-regelgeving.
Goedkeuring geldt voor opties voor HART en FOUNDATION-veldbus.
Geschiktheid voor beoogd gebruik
Voldoet aan NAMUR NE 95, versie 07.07.2006 “Basic Principles of Homologation”.
Zie voor meer informatie over productcertificaten de naslaghandleiding van de
Rosemount 5400-serie (publicatienummer 00809-0100-4026).
1. Bestelinformatiecode voor productcertificeringen. Zie voor meer informatie het gegevensblad voor de
Rosemount 5400-serie (publicatienr. 00813-0100-4026) of de naslaghandleiding van de Rosemount 5400-serie
(publicatienr. 00809-0100-4026).
2. +69 °C met optie voor FOUNDATION™-veldbus of FISCO.
3. +60 °C met optie voor FOUNDATION™-veldbus of FISCO.
4. Geldig voor Ex nL.
33
Beknopte installatiegids
EG-verklaring van overeenstemming
Afbeelding 2. EG-verklaring van overeenstemming - pagina 1
34
Maart 2013
Maart 2013
Beknopte installatiegids
Afbeelding 3. EG-verklaring van overeenstemming - pagina 2
35
Beknopte installatiegids
Afbeelding 4. EG-verklaring van overeenstemming - pagina 3
36
Maart 2013
Beknopte installatiegids
Maart 2013
EG-verklaring van overeenstemming
Nr.: 5400
Wij,
Rosemount Tank Radar AB
Box 13045
S-402 51 GÖTEBORG
Zweden
verklaren onder onze volledige verantwoordelijkheid dat de
Rosemount 5400 Series radarniveautransmitter
Geproduceerd door
Rosemount Tank Radar AB
Box 13045
S-402 51 GÖTEBORG
Zweden
waarop deze verklaring betrekking heeft, in overeenstemming is met de bepalingen in de
richtlijnen van de Europese Unie (inclusief amendementen), zoals vermeld in bijgevoegd
schema.
Aanvaarding van de overeenstemming is gebaseerd op de toepassing van geharmoniseerde
normen en, waar van toepassing of vereist, certificering door een aangemelde instantie in de
Europese Gemeenschap, zoals vermeld in onderstaand schema.
Manager Product Approvals
(functie – in blokletters)
Per-Olof Hägglund
12 december 2011
(naam – in blokletters)
(datum van uitgifte)
37
Maart 2013
Beknopte installatiegids
Schema
Nr.: 5400
EMC, Richtlijn elektromagnetische compatibiliteit (2004/108/EG)
EN 61326-1:2006
EN 61326-3-1:2006
PED, Richtlijn drukapparatuur (97/23/EG)
Voldoet aan de eis
Regels van goed vakmanschap volgens artikel 3.3 van de Richtlijn
ATEX, Richtlijn ontploffingsgevaar (94/9/EG)
Nemko 04ATEX1073X
Intrinsiek veilig / Entiteit en FISCO: Apparatuurgroep II, categorie 1/2 G
(Ex ia IIC T4 Ga/Gb)
Vlambestendigheid: Apparatuurgroep II, categorie 1/2 G (Ex ia/db ia IIC T4 Ga/Gb)
Stof: Apparatuurgroep II, categorie 1 D (Ex ta IIIC T69 °C/T79 oC)
EN60079-0:2009; EN60079-1:2007; EN60079-11:2007, EN60079-26:2007;
EN60079-27:2008; EN 60079-31:2009
Nemko 10ATEX1072
Type bescherming N, niet-vonkend: Apparatuurgroep II, categorie 3 G (Ex nA IIC T4 Gc)
Type bescherming N, met energiebeperking: Apparatuurgroep II, categorie 3 G
(Ex nL IIC T4 Gc)
EN60079-0:2009; EN60079-15:2005
Pagina 2 van 3
38
5400 EC Declaration of Conformity 111212_dut.doc
Beknopte installatiegids
Maart 2013
Schema
Nr.: 5400
Richtlijn betreffende radioapparatuur en telecommunicatie-eindapparatuur
(R&TTE) (99/5/EG)
ETSI EN 302 372 v1.1.1 (2006-4); EN 50371:2002
Laagspanningsrichtlijn (2006/95/EG)
EN 61010-1:2001
ATEX aangemelde instantie voor onderzoekscertificaten type EG en
typeonderzoekscertificaten
Nemko AS [nummer aangemelde instantie: 0470]
Gaustadalléen 30
0373 OSLO
Noorwegen
ATEX aangemelde instantie voor kwaliteitswaarborg
Det Norska Veritas Certification AS [nummer aangemelde instantie: 0575]
Veritasveien 1
1363 HØVIK
Noorwegen
Pagina 3 van 3
5400 EC Declaration of Conformity 111212_dut.doc
39
Beknopte installatiegids
00825-0111-4026, Rev FB
Maart 2013
Emerson Process Management
Rosemount Measurement
Emerson Process Management bv
Emerson Process Management
Asia Pacific Pte Ltd
Emerson Process Management nv/sa
8200 Market Boulevard
Chanhassen, MN 55317, VS
Tel. (VS) 1 800 999 9307
Tel. (vanuit andere landen) +1 952 906
8888
Fax +1.952.906 8889
1 Pandan Crescent
Singapore 128461
Tel. +65 6777 8211
Fax +65 6777 0947
Hotline serviceondersteuning: +65 6770 8711
E-mail: [email protected]
Postbus 212
2280 AE Rijswijk
Nederland
T (31) 70 413 66 66
F (31) 70 390 68 15
E [email protected]
www.emersonprocess.nl
De Kleetlaan, 4
B-1831 Diegem
België
T (32) 2 716 7711
F (32) 2 725 83 00
www.emersonprocess.be
Emerson Process Management
Blegistrasse 23
P.O. Box 1046
CH 6341 Baar
Zwitserland
Tel. +41 (0) 41 768 6111
Fax +41 (0) 41 768 6300
Emerson FZE
P.O. Box 17033
Jebel Ali Free Zone
Dubai – Verenigde Arabische Emiraten
Tel. +971 4 811 8100
Fax +971 4 886 5465
Emerson Process Management
Latijns-Amerika
1300 Concord Terrace, Suite 400
Sunrise Florida 33323 VS
Tel. +1 954 846 5030
Emerson Beijing Instrument Co.
No. 6 North Street, Hepingli,
Dong Cheng District
Peking 100013, China
T (86) (10) 6428 2233
F (86) (10) 6428 7640
© 2014 Rosemount, Inc. Alle rechten voorbehouden. Alle merken eigendom
van de merkhouder.
Het Emerson-logo is een handelsmerk en dienstmerk van Emerson Electric Co.
Rosemount en het Rosemount-logo zijn gedeponeerde handelsmerken van
Rosemount Inc.