Nederlands (Dutch)

Beknopte installatiegids
00825-0111-4809, Rev DB
December 2009
Geflensde 485 Annubar
Rosemount 485 Annubar® flensconstructie
Start
Stap 1: Locatie en montagerichting
Stap 2: Gaten in de leiding boren
Stap 3: Monteren en inspectie passing
Stap 4: Montagebevestigingen lassen
Stap 5: De Annubar inbrengen
Stap 6: De transmitter monteren
Productcertificaties
Einde
www.rosemount.com
Beknopte installatiegids
00825-0111-4809, Rev DB
December 2009
Geflensde 485 Annubar
© 2009 Rosemount Inc. Alle rechten voorbehouden. Alle merken eigendom van de merkhouder. Rosemount en het
Rosemount-logo zijn gedeponeerde handelsmerken van Rosemount Inc.
Rosemount Inc.
8200 Market Boulevard
Chanhassen, MN 55317, VS
Tel.: (VS) (800) 999-9307
Tel.: (andere landen): +1 (952) 906-8888
Fax: +1 (952) 949-7001
Emerson Process Management
GmbH & Co. OHG
Argelsrieder Feld 3
82234 Wessling
Duitsland
Tel.: +49 (8153) 9390
Fax: +49 (8153) 939172
Emerson Process
Management bv
Emerson Process
Management nv/sa
Postbus 212
2280 AE Rijswijk
Nederland
Tel.: (31) 70 413 66 66
Fax: (31) 70 390 68 15
E: [email protected]
www.emersonprocess.nl
De Kleetlaan, 4
B-1831 Diegem
België
Tel.: (32) 2 716 7711
Fax: (32) 2 725 83 00
www.emersonprocess.be
Emerson Process
Management Asia Pacific
Private Limited
Beijing Rosemount Far East
Instrument Co., Limited
1 Pandan Crescent
Singapore 128461
Tel.: +65 6777 8211
Fax: +65 6777 0947 / +65 6777 0743
No. 6 North Street,
Hepingli, Dong Cheng District
Peking 100013, China
Tel.: +86 (10) 6428 2233
Fax: +86 (10) 6422 8586
BELANGRIJKE KENNISGEVING
Deze installatiegids bevat elementaire richtlijnen voor de Rosemount 485 Annubar. Hij
bevat geen instructies voor configuratie, diagnostiek, onderhoud en probleemoplossing,
noch voor explosieveilige, drukvaste of intrinsiek veilige (I.S.) installaties. Raadpleeg de
naslaghandleiding van de 485 Annubar (publicatienummer 00809-0100-4810) voor nadere
instructies. Deze handleiding is op www.rosemount.com ook in digitale vorm beschikbaar.
Als de 485 Annubar gemonteerd op een Rosemount 3051S transmitter is besteld,
raadpleeg dan de volgende Beknopte installatiegids voor informatie over configuratie
en certificeringen voor gevaarlijke locaties: Rosemount 3051S Series druktransmitter
(publicatienummer 00825-0100-4801).
Als de 485 Annubar gemonteerd op een Rosemount 3095 transmitter is besteld, raadpleeg
dan de volgende Beknopte installatiegids voor informatie over configuratie en certificeringen voor gevaarlijke locaties: Rosemount 3095 (publicatienummer 00825-0100-4716).
WAARSCHUWING
Lekkage van het procesmedium kan leiden tot lichamelijk letsel of overlijden. Voorkom
proceslekken door procesaansluitingen uitsluitend af te dichten met pakkingen en O-ringen
die bestemd zijn voor afdichting van het betreffende pakkingvlak. Door de stroming van
procesmedium kan de 485 Annubar-constructie heet worden en kunt u brandwonden
oplopen.
LET OP
Als de wand van de leiding/het kanaal minder dan 3,2 mm (0.125 in.) dik is, is uiterste
voorzichtigheid geboden bij het installeren van de sensor. Dunne wanden kunnen tijdens
lassen, installatie of door het gewicht van een vrijdragende flowmeter vervormd raken.
Voor deze installaties kan een wandcontactdoos, zadel of uitwendige flowmetersteun
nodig zijn. Raadpleeg de fabriek voor assistentie.
2
Beknopte installatiegids
00825-0111-4809, Rev DB
December 2009
Geflensde 485 Annubar
Constructietekening van 485 de Annubar-flensconstructie
Transmitter en behuizing ter
illustratie afgebeeld – alleen
geleverd indien besteld.
transmitter
coplanar-flens met
aftap-/ontluchtingsgaten
O-ringen (2)
verbinding van direct
gemonteerde transmitter
met kleppen
sensorflens
tapeinden
pakking
montageflensconstructie
moeren
485 Annubar-sensor
tegenoverliggende steun
NB
Gebruik op alle schroefdraadaansluitingen een buisafdichtingsmiddel dat geschikt is voor
de te verwachten bedrijfstemperatuur.
3
Beknopte installatiegids
00825-0111-4809, Rev DB
December 2009
Geflensde 485 Annubar
STAP 1: LOCATIE EN MONTAGERICHTING
Voor nauwkeurige en herhaalbare flowmetingen moeten de correcte montagerichting en de
montagelengten voor rechte leidingen worden aangehouden. Zie Tabel 1 voor de minimale
buisdiameterafstanden vanaf verstoringen vóór de meter.
Tabel 1. Vereisten rechte buis
Zonder
richtvanen
Afstand
achter
de meter
Afstand voor de meter
Met
richtvanen
In
vlak A
Buiten
vlak A
A’
C
C’
B
8
10
–
–
–
4
–
–
8
4
4
4
11
16
–
–
–
4
–
–
8
4
4
4
23
28
–
–
–
4
–
–
8
4
4
4
12
12
–
–
–
4
–
–
8
4
4
4
1
2
3
4
4
Beknopte installatiegids
00825-0111-4809, Rev DB
December 2009
Geflensde 485 Annubar
VERVOLG STAP 1…
Zonder
richtvanen
Afstand
achter
de meter
Afstand voor de meter
Met
richtvanen
In
vlak A
Buiten
vlak A
A’
C
C’
B
18
18
–
–
–
4
–
–
8
4
4
4
30
30
–
–
–
4
–
–
8
4
4
4
5
6
NB
• Neem contact op met de fabrikant voor instructies over toepassingen in vierkante of
rechthoekige leidingen.
• “In vlak A” betekent dat de sensor zich in hetzelfde vlak bevindt als de elleboog.
“Buiten vlak A” betekent dat de sensor haaks op het elleboogvlak staat.
• Als de correcte rechte buislengten niet beschikbaar zijn, monteer dan zodanig dat
80% van de leiding zich vóór de meter bevindt en 20% achter de meter.
• Gebruik richtvanen om de vereiste rechte buislengte te bekorten.
• Rij 6 in Tabel 1 heeft betrekking op schuif-, kogel-, plug- en andere typen
smoorkleppen die gedeeltelijk worden geopend, alsmede op regelkleppen.
Uitlijningsfout
Bij de installatie van de 485 Annubar mag de uitlijning maximaal 3° afwijken.
Afbeelding 1. Uitlijningsfout
±3°
±3°
±3°
5
Beknopte installatiegids
00825-0111-4809, Rev DB
December 2009
Geflensde 485 Annubar
VERVOLG STAP 1…
Horizontale montagerichting
Voor het correct ontluchten en aftappen in lucht- en gastoepassingen moet de sensor in de
bovenste helft van de buis gemonteerd worden. Voor vloeistof- en stoomtoepassingen moet
de sensor in de onderste helft van de buis gemonteerd worden. De maximale temperatuur
voor een rechtstreeks gemonteerde transmitter is 260 °C (500 °F).
Afbeelding 2. Gas
Afbeelding 3. Vloeistof en stoom
aanbevolen
zone 90°
45°
45°
45°
45°
aanbevolen
aanbevolen
zone 30° 30° zone 30°
Afbeelding 4. Montage bovenop voor stoom (directe montage tot 205 °C [400 °F])
aanbevolen 30° aanbevolen
zone 30°
zone 30°
45°
45°
NB:
Voor stoomtoepassingen met DP-meetwaarden tussen 0,75 en 2 inH2O in horizontale
leidingen wordt aanbevolen het primaire element/de flowmetermontage boven de leiding te
installeren.
6
Beknopte installatiegids
00825-0111-4809, Rev DB
December 2009
Geflensde 485 Annubar
VERVOLG STAP 1…
Verticale montagerichting
De sensor kan in elke willekeurige positie rondom de buisomtrek worden geïnstalleerd
zolang de aftap/ontluchtingsopeningen de juiste montagepositie hebben voor ontluchten of
aftappen. Voor vloeistof of stoom worden optimale resultaten verkregen bij een opgaande
flow. Om te voorzien in waterpoten moet voor toepassingen met stoom een 90° afstandhouder worden toegevoegd, zodat de transmitter binnen de grenswaarden voor temperatuur
blijft. De maximale temperatuur voor een rechtstreeks gemonteerde transmitter is 260 °C
(500 °F).
Afbeelding 6. Vloeistof
360°
flow
360°
flow
Afbeelding 5. Stoom
flow
Afbeelding 7. Gas
360°
7
Beknopte installatiegids
00825-0111-4809, Rev DB
December 2009
Geflensde 485 Annubar
STAP 2: GATEN IN DE LEIDING BOREN
1. Bepaal de sensormaat op basis van de breedte van de sonde (zie Tabel 2).
2. Haal de druk van de leiding af en laat deze leeglopen.
3. Kies de locatie van het te boren gat.
4. Bepaal de diameter van het te boren gat op basis van de specificaties in Tabel 2. Breng
het montagegat in de leiding aan met een gatenzaag of een boor. MAAK HET GAT NIET
MET EEN SNIJBRANDER.
Tabel 2. Tabel voor sensormaat/gatdiameter
Sensormaat Sensorbreedte
1
14,99 mm (0.590 in.)
2
26,92 mm (1.060 in.)
3
49,15 mm (1.935 in.)
Gatdiameter
19 mm (3/4 in.)
34 mm (15/16 in.)
64 mm (21/2 in.)
+ 0,8 mm (1/32 in.)
NB: Boor bij modellen met
tegenoverliggende steun het
gat op 180° van het eerste
gat.
– 0,00
+ 1,6 mm (1/16 in.)
– 0,00
+ 1,6 mm (1/16 in.)
– 0,00
Boor het gat met de juiste
diameter in de buiswand.
5. Als een model met tegenoverliggende steun is geleverd, boort u tegenover het eerste
gat een tweede gat met dezelfde diameter zodat de sensor door de hele buis steekt.
(Om er achter te komen of u een model met tegenoverliggende steun hebt, meet u de
afstand tussen het uiteinde en de eerste sleuf of opening. Als deze afstand meer dan
25,4 mm (1 in.) bedraagt, betreft het een model met tegenoverliggende steun.) Boor het
tweede gat als volgt:
a. Meet de buisomtrek met een buismeetlint, een zachte draad of een touw. (Voor een
zo precies mogelijke meting moet het buismeetlint haaks op de stroomrichtingsas
staan.)
b. Deel de gemeten omtrek door twee om de plaats voor het tweede gat te berekenen.
c. Breng het buismeetlint, de zachte draad of het touw opnieuw aan vanaf het
middelpunt van het eerste gat. Markeer vervolgens aan de hand van de in de
voorgaande stap berekende waarde het middelpunt voor het tweede gat.
d. Breng met een gatenzaag of een boor het montagegat aan in de buis, volgens de in
stap 4 berekende diameter. MAAK HET GAT NIET MET EEN SNIJBRANDER.
6. Ontbraam de aangebrachte gaten aan de binnenkant van de buis.
8
Beknopte installatiegids
00825-0111-4809, Rev DB
December 2009
Geflensde 485 Annubar
STAP 3: MONTEREN EN INSPECTIE PASSING
Voer voor een precieze meting de volgende stappen uit, om te zorgen dat poort A en B op
gelijke afstand liggen van de binnenwanden van de buis.
1. Bevestig de 485 met de pakkingen en de bouten op de montagehardware.
2. Zet de bouten handvast, net voldoende om de sensor centraal in de montagehardware in
positie te houden.
3. Meet de afstand vanaf de bovenkant van de weldolet tot aan het eerste sensorgat,
poort B, en trek hier 1,6 mm (1/16 in.) van af.
4. Meet de afstand vanaf het uiteinde van de in stap 4 afgetekende lengte tot aan het
laatste sensorgat, poort A.
5. Vergelijk de waarden die u hebt verkregen in stap 3 en 4.
Voor kleine verschillen kunt u compenseren via de passing van de montagehardware.
Grotere verschillen kunnen installatieproblemen of fouten veroorzaken.
Afbeelding 8. Controle op passing van 485 Annubar met tegenoverliggende steun
Vloeistof of stoom
tot op
maximaal
3 mm
(1/8 in.)
precies
gelijk
buitendiam.
flens
Gas
poort A
poort B
buitendiameter
buis
tot op
maximaal
3 mm
(1/8 in.)
precies
gelijk
buitendiam.
flens
buitendiameter
buis
poort B
poort A
9
Beknopte installatiegids
00825-0111-4809, Rev DB
December 2009
Geflensde 485 Annubar
STAP 4: MONTAGEBEVESTIGINGEN LASSEN
1. Centreer de flensconstructie boven de montageopening, tussenruimte 1,6 mm (1/16 in.)
en meet de afstand tussen de buitendiameter van de buis en het flensoppervlak.
Vergelijk deze met Tabel 3 en pas de tussenruimte zo nodig aan.
Tabel 3. Flensmaten en flensbuitendiameter voor elke sensormaat
Buitendiam. flens
(mm [in])
Sensormaat
Flensmaat
Grootte
1
1
1
1
1
1
2
2
2
2
2
2
3
3
3
3
3
3
11/2 in. 150 lb
11/2 in. 300 lb
11/2 in 600 lb
11/2 in 900 lb
11/2 in 1500 lb
11/2 in 2500 lb
2.0 in 150 lb
2.0 in 300 lb
2.0 in 600 lb
2.0 in 900 lb
2.0 in 1500 lb
3.0 in 2500 lb
3.0 in 150 lb
3.0 in 300 lb
3.0 in 600 lb
4.0 in 900 lb
4.0 in 1500 lb
4.0 in 2500 lb
98,5 (3.88)
104,9 (4.13)
112,7 (4.44)
125,4 (4.94)
125,4 (4.94)
171,6 (6.76)
104,8 (4.13)
111,2 (4.38)
120,8 (4.76)
149,2 (5.88)
149,2 (5.88)
250,7 (9.87)
117,5 (4.63)
126,9 (5.00)
136,6 (5.38)
208,0 (8.19)
217,5 (8.56)
284,2 (11.19)
DN40 PN16
DN40 PN40
DN40 PN100
niet van toepassing
niet van toepassing
niet van toepassing
DN50 PN16
DN50 PN40
DN50 PN100
niet van toepassing
niet van toepassing
niet van toepassing
DN80 PN16
DN80 PN40
DN80 PN100
niet van toepassing
niet van toepassing
niet van toepassing
Buitendiam. flens
(mm [in])
78,6 (3.09)
81,6 (3.21)
98,6 (3.88)
niet van toepassing
niet van toepassing
niet van toepassing
86,3 (3.40)
89,3 (3.51)
109,3 (4.30)
niet van toepassing
niet van toepassing
niet van toepassing
97,6 (3.84)
105,6 (4.16)
125,6 (4.95)
niet van toepassing
niet van toepassing
niet van toepassing
2. Breng vier puntlassen van 6 mm (1/4 in.) aan op 90° ten opzichte van elkaar. Controleer
de uitlijning van de montage zowel evenwijdig aan als haaks op de lijn van de stroomrichting (zie Afbeelding 9). Als de uitlijning van de bevestiging binnen de toleranties ligt,
voltooit u de lasverbinding volgens de ter plekke geldende richtlijnen. Als de uitlijning van
de bevestiging buiten de voorgeschreven toleranties valt, verricht u eerst de vereiste
aanpassingen alvorens de lasverbinding te voltooien.
Afbeelding 9. Uitlijning
buitendiam.
flens
puntlassen
10
Beknopte installatiegids
00825-0111-4809, Rev DB
December 2009
Geflensde 485 Annubar
VERVOLG STAP 4…
3. Als de tegenoverliggende steun wordt gebruikt, centreer dan de fitting boven het gat voor
de tegenoverliggende steun, tussenruimte 1,6 mm (1/16 in.), en breng vier 6 mm (1/4 in.)
puntlassen aan op 90° van elkaar. Steek de sensor in de montagehardware. Controleer
of het uiteinde van de sensor is gecentreerd in de fitting aan de tegenoverliggende zijde
en of de plug rond de sensor past. Maak de lasverbinding af volgens de ter plekke
geldende richtlijnen. Als er door de uitlijning van de sensor onvoldoende tussenruimte
is om de plug aan de tegenoverliggende zijde in te steken, verricht u eerst de vereiste
aanpassingen alvorens de lasverbinding te voltooien.
4. Laat de montagehardware afkoelen voordat u verder gaat, om ernstige brandwonden te
vermijden.
STAP 5: DE ANNUBAR INBRENGEN
1. Zet de stroomrichtingspijl op de kop in lijn met de stroomrichting. Monteer de bar op de
montageflens met een pakking, bouten en moeren.
2. Zet de moeren kruiselings vast, zodat de pakking gelijkmatig wordt samengedrukt.
3. Als de steun aan de tegenoverliggende zijde schroefdraad heeft, breng dan een
geschikte vloeibare pakking aan op de schroefdraad van de steunplug en draai aan
totdat er geen lekkage meer optreedt.
4. Als de tegenoverliggende steun een soklasfitting is, steekt u de plug in de sokuitlaatfitting totdat de delen contact maken. Trek de plug 1,6 mm (1/16 in.) terug, verwijder de
Annubar-sensor en voer een hoeklas uit volgens de ter plaatse geldende richtlijnen.
STAP 6: DE TRANSMITTER MONTEREN
Transmittermontage, kop voor directe montage met kleppen
Bij directe montage van een transmitter met kleppen hoeft de Annubar niet te worden
teruggetrokken.
1. Breng O-ringen van PTFE aan in de groeven op de Annubar-kop.
2. Zet de bovenkant van de transmitter in lijn met de bovenkant van de sensor (op de
zijkant van de kop is “Hi” gestanst) en installeer.
3. Haal de moeren kruiselings aan tot 45 N•m (400 in•lb).
Transmittermontage met kop voor montage op afstand
Bij temperaturen van meer dan 121 °C (250 °F) bij de diafragma’s van de sensormodule zal
de transmitter beschadigd raken. Op afstand gemonteerde transmitters worden op de
sensor aangesloten via impulsbuizen, zodat de procestemperaturen in zodanige mate
afnemen dat de transmitter niet meer kwetsbaar is.
Afhankelijk van de procesvloeistof worden de impulsleidingen op verschillende wijze gelegd;
de inrichting moet geschikt zijn voor continubedrijf bij de in de pijpleiding heersende druk en
temperatuur. Tot en met 600 lb ANSI (DN50 PN100) wordt gebruik van een roestvaststalen
buis met buitendiameter van ten minste 12 mm (1/2 in.) en wanddikte van ten minste 0,9 mm
(0.035 in.) aanbevolen. Boven 600 lb ANSI (DN50 PN100) een roestvrijstalen buis met
wanddikte van 1/16 inch. Buisfittingen met schroefdraad zijn niet raadzaam omdat dan in
kleine holten lucht wordt opgesloten waar uiteindelijk lekkage zal optreden.
11
Beknopte installatiegids
00825-0111-4809, Rev DB
December 2009
Geflensde 485 Annubar
VERVOLG STAP 6…
De volgende beperkingen en aanbevelingen gelden voor de montagelocatie van
impulsleidingen:
1. Horizontale impulsleidingen moeten ten minste 83 mm per meter (1 inch per foot) verval
hebben.
• Laat omlaag lopen (richting transmitter) voor toepassingen met vloeistof en stoom
• Laat omhoog lopen (richting transmitter) voor toepassingen met gas
2. Voor in de buitenlucht geplaatste installaties voor vloeistof, verzadigd gas of stoom zal
soms isolatie en verwarming nodig zijn om bevriezing te voorkomen.
3. Voor alle installaties wordt montage van een instrumentkranenblok aanbevolen. Met een
kranenblok kan de gebruiker voorafgaand aan de nulinstelling de druk egaliseren en de
procesvloeistof gescheiden houden van de elektronica.
Afbeelding 10. Identificatie kleppen van 5-kraans en 3-kraans kranenblokken
5-kraans kranenblok
naar PH
3-kraans kranenblok
naar PL
naar PH
naar PL
KE
KA
KH
KL
2
KEH
AKH
AKL
1
12
KH
KL
2
KEL
AKH
AKL
1
Beknopte installatiegids
00825-0111-4809, Rev DB
December 2009
Geflensde 485 Annubar
VERVOLG STAP 6…
Tabel 4. Beschrijving van impulskleppen en componenten
Naam
Beschrijving
Doel
Componenten
1
Transmitter
2
Kranenblok
Kranenblok en impulskleppen
PH
Primaire sensor(1)
PL
Primaire sensor(2)
AKH
Aftap/ontluchtingskraan(1)
AKL
Aftap/ontluchtingskraan(2)
KH
Kranenblok(1)
KL
Kranenblok(2)
KEH
Kranenblokegalisator(1)
KEL
Kranenblokegalisator(2)
KE
Kranenblokegalisator
KA
Ontluchtingskraan
kranenblok
(1)
(2)
Leest verschildruk uit
Isoleert en egaliseert elektronica
Aansluitingen voor procesdruk aan hoge en lage zijde.
Tapt de membranen van de verschildruksensor af (bij gasbedrijf)
of ontlucht deze (bij vloeistof- of stoombedrijf)
Scheidt de druk aan hoge of lage zijde van het proces
Geeft de hoge en lage drukzijden toegang tot de
ontluchtingskraan, of scheidt de procesvloeistof
Voor egalisatie van de druk aan hoge en lage zijde
Ontlucht de procesvloeistof
hoge druk
lage druk
Aanbevolen installaties voor op afstand gemonteerde transmitters
Gasbedrijf
Bevestig de transmitter hoger dan de sensor om te voorkomen dat condenseerbare
vloeistoffen in de impulsbuizen en de verschildrukcel achterblijven.
Afbeelding 11. Gas (horizontaal)
Afbeelding 12. Gas (verticaal)
13
Beknopte installatiegids
00825-0111-4809, Rev DB
December 2009
Geflensde 485 Annubar
VERVOLG STAP 6…
Stoom- of vloeistofbedrijf (onder 315 °C [600 °F])
Monteer de transmitter lager dan de procesleiding, maar 10 tot 15 graden omhoog vanaf de
verticale loodlijn. Leid de impulsleiding omlaag naar de transmitter en vul het systeem via
de twee kruisfittingen met water.
Afbeelding 13. Stoom en vloeistof (horizontaal)
Afbeelding 14. Stoom en vloeistof (verticaal)
NB
Controleer of de aftappoten lang genoeg zijn om de vuildeeltjes en het bezinksel te vangen.
Montage bovenop voor stoom
(vereist voor stoomtemperaturen hoger dan 315 °C [600 °F])
Deze oriëntatie kan worden gebruikt voor stoom van elke stoomtemperatuur, maar is vereist
voor installaties boven 315 °C (600 °F). Voor op afstand gemonteerde installaties moet de
impulsleiding enigszins omhoog lopen vanaf de instrumentaansluitingen op de Annubar
naar de kruisstukken zodat het condensaat in de leiding kan terugstromen. Vanaf de kruisstukken moet de impulsleiding omlaag naar de transmitter en de aftappoten worden geleid.
De transmitter moet zich onder de instrumentaansluitingen van de Annubar bevinden.
Afhankelijk van de omgevingsfactoren kan isolatie van de montagehardware vereist zijn.
Afbeelding 15. Horizontale montage bovenop voor stoom
14
Beknopte installatiegids
00825-0111-4809, Rev DB
December 2009
Geflensde 485 Annubar
PRODUCTCERTIFICATIES
Goedgekeurde productielocaties
Rosemount Inc. – Chanhassen, Minnesota, VS
Informatie over Europese richtlijnen
De EG-verklaring van overeenstemming voor alle op dit product van toepassing zijnde
Europese richtlijnen is te vinden op de Rosemount website www.rosemount.com. Neem
contact op met ons plaatselijke verkoopkantoor voor een gedrukt exemplaar.
Europese richtlijn betreffende drukapparatuur (PED) (97/23/EG)
Rosemount 485 Annubar – zie de EU-verklaring van overeenstemming voor de
overeenstemmingsbeoordeling
Druktransmitter – zie de beknopte installatiegids van de betreffende druktransmitter
Certificaties explosiegevaarlijke locaties
Zie voor informatie over productcertificatie van de transmitter de beknopte installatiegids
van de betreffende transmitter:
• Rosemount 3051S (publicatienummer 00825-0100-4801)
• Rosemount 3095M (publicatienummer 00825-0100-4716)
15
Beknopte installatiegids
Geflensde 485 Annubar
16
00825-0111-4809, Rev DB
December 2009