Nederlands (Dutch)

Snelstartgids
00825-0111-4803, Rev. DA
Mei 2015
Rosemount 3051S MultiVariable™-transmitter
Rosemount 3051SF-serie Flowmeter
MultiVariable-transmitter
Mei 2015
Snelstartgids
KENNISGEVING
In deze gids staan elementaire richtlijnen voor de Rosemount 3051S MultiVariable-transmitter
(zie de documentnummer met publicatienummer 00809-0100-4803). Er staan ook
elementaire configuratierichtlijnen in voor de 3051S MultiVariable-transmitter
(naslaghandleiding publicatienummer 00809-0100-4809), 3051SFC (naslaghandleiding
documentnummer 00809-0100-4810) en 3051SFP (naslaghandleiding documentnummer
00809-0100-4686). Er staan geen aanwijzingen in voor diagnostiek, onderhoud, service of
probleemoplossing. Zie de naslaghandleiding van de 3051S MultiVariable-transmitter voor
nadere aanwijzingen. Alle documenten zijn in elektronische vorm verkrijgbaar via
www.emersonprocess.com/rosemount.
WAARSCHUWING
Explosies kunnen ernstig of dodelijk letsel veroorzaken.
Bij installatie van deze transmitter in een explosiegevaarlijke omgeving moeten de geldende
plaatselijke, landelijke en internationale normen, voorschriften en procedures worden gevolgd.
Raadpleeg het gedeelte over goedkeuringen in de naslaghandleiding van de 3051S
MultiVariable-transmitter (00809-0100-4803) voor bepalingen in verband met veilige
installatie.
 Controleer voordat u een veldcommunicator in een explosiegevaarlijke atmosfeer aansluit of
alle instrumenten in de proceskring zijn geïnstalleerd volgens intrinsiek veilige en
niet-vonkende veldbedradingsmethodes.
 Verwijder bij een explosieveilige/drukvaste installatie de transmitterdeksels niet terwijl er
stroom staat op het instrument.
 Lekkage van het procesmedium kan leiden tot lichamelijk en zelfs dodelijk letsel.
 Monteer de procesaansluitingen en haal ze aan voordat u druk aanlegt.
 Elektrische schokken kunnen ernstig of dodelijk letsel veroorzaken.
 Vermijd aanraking van de draden en aansluitklemmen. De draden kunnen onder hoge
spanning staan, die elektrische schokken kan veroorzaken.
Inhoud
Monteer de transmitter . . . . . . . . . . . . . . 3
Overweeg of de behuizing gedraaid
moet worden . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 8
Stel de schakelaars in . . . . . . . . . . . . . . . . . 8
Sluit de bedrading aan en schakel het
instrument in . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 9
2
Flowconfiguratie . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 12
Controleer de instrumentconfiguratie
22
Trim de transmitter . . . . . . . . . . . . . . . . 25
Productcertificeringen Rev 1.0 . . . . 27
Snelstartgids
Mei 2015
Stap 1: Monteer de transmitter
Toepassingen voor
vloeistofmetingen
1. Breng tappunten aan in de zijkant
van de leiding.
2. Monteer naast of onder de
tappunten.
3. Monteer de transmitter met de
aftap-/ontluchtingskranen
omhoog.
STROOMRICHTING
Toepassingen voor gasmetingen
1. Breng tappunten aan in de bovenof zijkant van de leiding.
2. Monteer naast of boven de
tappunten.
STROOMRICHTING
STROOMRICHTING
Toepassingen voor
stoommetingen
1. Breng tappunten aan in de zijkant
van de leiding.
2. Monteer naast of onder de
tappunten.
STROOMRICHTIN
3. Vul de impulsleidingen met water.
3
Mei 2015
Snelstartgids
Montagebeugels
Paneelmontage
Buismontage
Coplanar-flens
Traditionele flens
Overwegingen m.b.t. boutbevestiging
Als voor de installatie van de transmitter de montage van een procesflens,
verdeelstuk of flensadapters vereist is, dient u met het oog op optimale
prestatiekenmerken van de transmitter deze montagerichtlijnen te volgen om
een goede afdichting te waarborgen. Gebruik uitsluitend de bij de transmitter
geleverde bouten of bouten die door Emerson Process Management los worden
verkocht. Afbeelding 1 is een afbeelding van veelgebruikte
transmitterinstallaties, met vermelding van de boutlengten die voor juiste
installatie van de transmitter vereist zijn.
4
Snelstartgids
Mei 2015
Afbeelding 1. Veelgebruikte transmitterinstallaties
A
C
D
57 mm
(4 x 2,25 inch)
44 mm
(4 x 1,75 inch)
B
44 mm
(4 x 1,75 inch)
73 mm
(4 x 2,88 inch)
38 mm
(4 x 1,50
inch)
44 mm
(4 x 1,75 inch)
A. Transmitter met Coplanar-flens
B. Transmitter met Coplanar-flens en optionele flensadapters
C. Transmitter met traditionele flens en optionele flensadapters
D. Transmitter met Coplanar-flens en optionele verdeelstuk- en flensadapters
Gewoonlijk worden bouten van koolstofstaal of roestvast staal gebruikt.
Controleer het materiaal door naar de markeringen op de boutkop te kijken en
deze te vergelijken met Afbeelding 3. Als het boutmateriaal niet is aangegeven in
Afbeelding 3, kunt u zich voor nadere inlichtingen wenden tot de plaatselijke
vertegenwoordiger van Emerson Process Management.
Gebruik de volgende procedure voor het installeren van de bouten:
1. Bouten van koolstofstaal hebben geen smering nodig, en op bouten van
roestvast staal is een laagje smeermiddel aangebracht om de installatie te
vergemakkelijken. Bij geen van beide bouttypen mag voor het aanbrengen
extra smeermiddel worden aangebracht.
2. Draai de bouten handvast aan.
3. Haal de bouten kruiselings aan tot de initiële momentwaarde. Zie Afbeelding 3
voor de initiële momentwaarde.
4. Haal de bouten volgens hetzelfde kruispatroon aan tot de definitieve
momentwaarde. Zie Afbeelding 3 voor de definitieve momentwaarde.
5. Controleer of de flensbouten uit de module-isolatorplaat steken voordat u er
druk op zet.
Afbeelding 2. Module-isolatorplaat
A
B
A. Bout
B. Module-isolatorplaat
5
Mei 2015
Snelstartgids
Afbeelding 3. Momentwaarden voor flens- en flensadapterbouten
Kopmarkeringen
Boutmateriaal
B7M
Koolstofstaal
(CS)
Roestvast staal
(SST)
6
316
B8M
316
R
STM
316
316
SW
316
Initiële momentwaarde
Definitieve
momentwaarde
33,9 Nm
(300 lb.-in.)
73,4 Nm
(650 lb.-in.)
16,9 Nm
(150 lb.-in.)
33,9 Nm
(300 lb.-in.)
Snelstartgids
Mei 2015
O-ringen bij flensadapters
WAARSCHUWING
Als er verkeerde O-ringen op de flensadapters worden aangebracht, kan lekkage van
procesmedium ontstaan, met mogelijk ernstig of dodelijk letsel als gevolg. De twee
flensadapters zijn van elkaar te onderscheiden door hun unieke O-ringgroef. Gebruik
uitsluitend de O-ring die bestemd is voor de specifieke flensadapter, zoals hieronder afgebeeld.
Rosemount
3051S/3051/2051/3095
Rosemount 3051S/3051/2051/3095
A
A
BB
C
C
D
D
Rosemount
Rosemount1151
1151
A
A
B
B
A. Flensadapter
B. O-ring
C. PTFE
D. Elastomeer
Telkens als de flenzen of adapters worden verwijderd, moeten de O-ringen op het oog worden
geïnspecteerd. Vervang de O-ringen als er tekenen van schade zijn, bijvoorbeeld inkepingen of
kerven. Bij vervanging van de O-ringen moeten de flensbouten en uitlijningsschroeven na het
aanbrengen opnieuw tot het juiste moment worden aangehaald, ter compensatie van
verschuivingen doordat de O-ringen van PTFE nog geheel in de groef moeten vallen.
7
Mei 2015
Snelstartgids
Stap 2: Overweeg of de behuizing gedraaid moet
worden
Om de toegang tot de bedrading te verbeteren of de optionele lcd-display beter
af te kunnen lezen:
1. Draai de stelschroef voor het draaien van de behuizing los.
2. Draai de behuizing tot 180° linksom of rechtsom vanuit de oorspronkelijke
stand (zoals geleverd).
3. Draai de stelschroef voor het draaien van de behuizing weer aan.
Afbeelding 4. Stelschroef transmitterbehuizing
A
B
A. Functieprintplaat
B. Stelschroef voor draaien behuizing (3/32 inch)
Opmerking
Draai de behuizing niet meer dan 180° zonder eerst te demonteren; zie hoofdstuk 4 van de
naslaghandleiding van de 3051S MultiVariable-transmitter (documentnummer
00809-0100-4803) voor nadere informatie. Door te ver draaien kan de elektrische verbinding
tussen de sensormodule en de elektronica van de functieprintplaat worden verbroken.
Stap 3: Stel de schakelaars in
Bij standaardconfiguratie van de transmitter is het alarm ingesteld op hoog (HI)
en de beveiliging op off (uit).
1. Beveilig na installatie van de transmitter de kring en koppel de voeding los.
2. Verwijder het behuizingsdeksel tegenover de kant met de
veldaansluitklemmen. Verwijder het behuizingsdeksel niet in een
explosiegevaarlijke omgeving.
3. Schuif de beveiligings- en alarmschakelaars met een kleine schroevendraaier
naar de gewenste stand.
4. Breng het behuizingsdeksel weer aan, zodanig dat er metaal-metaalcontact
bestaat, om te voldoen aan de vereisten voor explosieveiligheid.
8
Snelstartgids
Mei 2015
Afbeelding 5. Schakelaarconfiguratie transmitter
A
B
A. Beveiliging
B. Alarm
Stap 4: Sluit de bedrading aan en schakel het
instrument in
Opmerking
Sluit geen spanning aan over de test-terminals. De stroom kan de testdiode in de testverbinding
beschadigen. Gebruik voor een optimaal resultaat getwiste aders. Gebruik een draad van 24 tot 14
AWG met een lengte van ten hoogste 1500 meter (5000 ft.).
Volg de onderstaande stappen voor bedrading van de transmitter:
1. Verwijder het deksel van de kant van de behuizing met de
veldaansluitklemmen.
2. Sluit de positieve draad aan op de “PWR/COMM+”-aansluitklem en de
negatieve draad op de “PWR/COMM—”-aansluitklem.
3. Als de optionele procestemperatuuringang niet is geïnstalleerd, brengt u een
plug aan op de ongebruikte kabelbuisaansluiting en dicht u die af. Raadpleeg
als de optionele procestemperatuuringang wel wordt gebruikt “Installeer de
optionele procestemperatuuringang (Pt 100 RTD-sensor)” op pagina 11 voor
meer informatie.
KENNISGEVING
Als de omsloten buisplug wordt gebruikt in de kabelbuisopening, dan moet deze minimaal vijf
wikkelingen van de schroefdraad diep worden ingeschroefd om te voldoen aan de vereisten
voor explosieveiligheid. Raadpleeg de naslaghandleiding van de 3051S
MultiVariable-transmitter (documentnummer 00809-0100-4803) voor meer informatie.
4. Leg indien nodig de bedrading aan met een druppellus. Leg de druppellus zo
dat de onderkant lager dan de kabelbuisaansluitingen en de
transmitterbehuizing komt te liggen.
5. Breng het behuizingsdeksel weer aan en draai het aan tot
metaal-metaalcontact ontstaat om te voldoen aan de vereisten voor
explosieveiligheid.
Afbeelding 6 toont de draadverbindingen voor voeding van een 3051S
MultiVariable-transmitter en communicatie met een handheld
veldcommunicator.
9
Mei 2015
Snelstartgids
Afbeelding 6. Transmitterbedrading
3051SMV zonder optionele aansluiting voor
procestemperatuur
3051SMV met optionele aansluiting
voor procestemperatuur
B
B
A
A
A. RL ≥ 250 W
B. Voeding
Opmerking
Installatie van het aansluitklemmenblok met stootspanningsbeveiliging geeft uitsluitend
bescherming tegen stootspanning als de behuizing van de 3051S MultiVariable-transmitter
correct geaard is.
Kabelbuis bedrading elektrische aansluiting (optie GE of GM)
Raadpleeg voor bedradingsgegevens voor 3051S MultiVariable-transmitters met
elektrische GE- of GM-kabelbuisaansluitingen de installatie-instructies zoals
verstrekt door de fabrikant van de bekabeling. Voor FM intrinsiek veilige,
explosiegevaarlijke locaties van divisie 2 dient de installatie in overeenstemming
te zijn met Rosemount-tekening 03151-1009 om de classificatie voor
buitengebruik (NEMA 4X en IP66) te behouden. Zie Appendix B: Product
Certifications in de naslaghandleiding van de 3051S MultiVariable-transmitter
(00809-0100-4803).
Voeding
De gelijkstroomvoeding moet vermogen met een rimpel van minder dan twee
procent leveren. De totale weerstandsbelasting is de som van de weerstand van
de signaaldraden en de belastingsweerstand van de controller, aanwijzer,
barrières voor intrinsieke veiligheid en andere onderdelen.
10
Snelstartgids
Mei 2015
Afbeelding 7. Belastingsbeperking - 3051S MultiVariable-transmitter
Maximale kringweerstand = 43,5 x (voedingsspanning — 12,0)
Belasting (ohm)
1322
1000
500
Werkingsgebied
0
12,0
20
30
Spanning (V d.c.)
42,4
Voor HART-communicatie is een kringweerstand vereist van ten minste 250  .
Installeer de optionele procestemperatuuringang
(Pt 100 RTD-sensor)
Opmerking
Om te voldoen aan de certificering ATEX/IECEx drukvast mogen alleen drukvaste
ATEX/IECEx-kabels (temperatuuringangscode C30, C32, C33 of C34) worden gebruikt.
1. Monteer de Pt 100 RTD-sensor op de gewenste locatie.
Opmerking
Gebruik afgeschermde vieraderige kabel voor de procestemperatuuraansluiting.
2. Sluit de RTD-kabel aan op de 3051S MultiVariable-transmitter door de draden
van de kabel door de ongebruikte behuizingskabelbuis te steken en aan te
sluiten op de vier schroeven op het aansluitklemmenblok van de transmitter.
Sluit de kabelbuisopening rondom de kabel af met een geschikte kabelwartel.
3. Sluit de draad van de afscherming van de RTD-kabel aan op de aardaansluiting
in de behuizing.
11
Mei 2015
Snelstartgids
Afbeelding 8. RTD-bedrading 3051S MultiVariable-transmitter
A
Wit
Rood
B
C
A. Aardpunt
B. Draden RTD-kabel
C. Pt 100 RTD-sensor
Stap 5: Flowconfiguratie
Engineering Assistant 6.1 of hoger
De 3051SMV Engineering Assistant 6.1 of hoger is een pc-programma voor
configuratie, onderhoud en diagnostiekfuncties dat dient als de primaire
interface voor communicatie tussen de 3051S MultiVariable-transmitter en de
functieprintplaat voor volledig gecompenseerde massa- en energieflow.
3051SMV Engineering Assistant is benodigd om de flowconfiguratie te kunnen
volbrengen.
Systeemvereisten
De minimale systeemvereisten voor installatie van de 3051SMV Engineering
Assistant luiden als volgt:

Processor (Pentium of gelijkwaardig): 500 MHz of sneller

Besturingssysteem: Windows™ XP Professional (32 bits) of Windows 7 (32 bits
of 64 bits)

256 MB RAM

100 MB vrije ruimte op vaste schijf

Seriële RS232-poort of USB-poort (voor gebruik met HART®-modem)

Cd-rom
3051SMV Engineering Assistant 6.1 of hoger installeren
1. Verwijder alle bestaande versies van Engineering Assistant 6 die momenteel
op de pc zijn geïnstalleerd.
2. Plaats de schijf met de nieuwe versie van Engineering Assistant in het
cd-romstation.
12
Snelstartgids
Mei 2015
3. Als het goed is detecteert Windows de aanwezigheid van een cd-rom en wordt
het installatieprogramma vanzelf gestart. Volg de aanwijzingen op het scherm
om de installatie te voltooien. Als Windows de cd-rom niet detecteert, bekijkt
u de inhoud van de cd-rom met Windows Explorer of via Mijn Computer.
Vervolgens dubbelklikt u op het programma SETUP.EXE.
4. Er wordt een reeks schermen weergegeven (de installatiewizard) die u door
het installatieproces begeleidt. Voer de aanwijzingen op het scherm uit. Wij
adviseren om de standaard installatie-instellingen te gebruiken.
Opmerking
Voor Engineering Assistant versie 6.1 of hoger is het gebruik van Microsoft®.NET Framework
versie 4.0 of hoger vereist. Als .NET-versie 4.0 niet is geïnstalleerd, wordt deze software
automatisch geïnstalleerd tijdens de installatie van de Engineering Assistant. Voor Microsoft
.NET-versie 4.0 is nog eens 200 MB schijfruimte vereist.
Aansluiten op een pc
Afbeelding 9 geeft weer hoe u een computer aansluit op een 3051S
MultiVariable-transmitter.
Afbeelding 9. Een pc aansluiten op de 3051S MultiVariable-transmitter
3051SMV zonder optionele aansluiting voor
procestemperatuur
3051SMV met optionele aansluiting
voor procestemperatuur
B
B
A
C
A
C
A. RL ≥ 250 W
B. Voeding
C. Modem
1. Verwijder het deksel aan de kant van de behuizing met de
veldaansluitklemmen.
2. Schakel het instrument in zoals beschreven in “Sluit de bedrading aan en
schakel het instrument in”.
3. Sluit de HART-modemkabel aan op de pc.
4. Aan de kant van de transmitter met de markering “Field Terminals” sluit u de
miniknijpers van de modemkabel aan op de twee aansluitklemmen met de
aanduiding “PWR/COMM”.
5. Start de 3051SMV Engineering Assistant. Raadpleeg voor meer informatie
over het opstarten van de software “Engineering Assistant 6.1 of hoger
opstarten” op pagina 15.
6. Nadat de configuratie voltooid is, brengt u het deksel weer aan en draait u het
aan tot metaal-metaalcontact ontstaat om te voldoen aan de vereisten voor
explosieveiligheid.
13
Snelstartgids
Mei 2015
Flowconfiguratie
De 3051SMV Engineering Assistant is ontworpen om de gebruiker te begeleiden
door het instellen van de flowconfiguratie voor een 3051S
MultiVariable-transmitter. Op de flowconfiguratieschermen kan de gebruiker de
vloeistof opgeven, de bedrijfsomstandigheden en informatie over het primaire
element, waaronder de binnendiameter van de buis. Op basis van deze
informatie maakt de 3051SMV Engineering Assistant
flowconfiguratieparameters aan die naar de transmitter worden verzonden of
opgeslagen voor gebruik in de toekomst.
De online- en offline-modus
De Engineering Assistant-software kan in twee modi worden gebruikt: online en
offline. In de online-modus kan de gebruiker de configuratie ontvangen van de
transmitter, de configuratie bewerken en vervolgens de gewijzigde configuratie
naar de transmitter verzenden of opslaan in een bestand. In de offline-modus kan
de gebruiker een nieuwe flowconfiguratie aanmaken en de configuratie opslaan
in een bestand, of een bestaand bestand openen en wijzigen.
Op de volgende bladzijden vindt u aanwijzingen voor het aanmaken van een
nieuwe flowconfiguratie in de offline-modus. Zie de naslaghandleiding van de
3051S MultiVariable-transmitter (documentnummer 00809-0100-4803) voor
nadere informatie over andere functies.
Overzicht elementaire navigatie
Afbeelding 10. Overzicht elementaire navigatie Engineering Assistant
14
U kunt op verschillende manieren navigeren door de Engineering Assistant. De
onderstaande nummers komen overeen met de nummers in Afbeelding 10.
1. De navigatietabbladen bevatten de flowconfiguratiegegevens. In de offline-modus
worden tabbladen telkens pas actief als alle verplichte velden op het voorafgaande
tabblad zijn ingevuld. In de online-modus werken deze tabbladen altijd.
Mei 2015
Snelstartgids
2. Met de knop Reset worden alle velden op alle flowconfiguratietabbladen (Fluid
Selection [selectie vloeistof], Fluid Properties [eigenschappen vloeistof] en
Primary Element Selection [selectie primair element]) teruggezet naar de
waarden die aan het begin van de configuratie werden weergegeven.
a. In de online-modus worden alle waarden teruggezet naar de waarden die
aanvankelijk, voordat de configuratie begon, van het instrument zijn ontvangen.
b. Bij het bewerken van een eerder opgeslagen configuratie worden de
waarden teruggezet naar de laatst opgeslagen waarden. Bij het aanmaken
van een nieuwe flowconfiguratie worden alle ingevoerde waarden gewist.
3. Met de knop Back (vorige) gaat u achteruit door de
flowconfiguratietabbladen.
4. Met de knop Next (volgende) gaat u vooruit door de flowconfiguratietabbladen.
In de offline-modus wordt de knop Next (volgende) pas actief als alle verplichte
velden op de huidige pagina zijn ingevuld.
5. U kunt op elk gewenst moment op de knop Help klikken voor een
gedetailleerde toelichting op de informatie waarom op het huidige
configuratietabblad wordt gevraagd.
6. Alle configuratiegegevens die moeten worden ingevoerd of doorgenomen,
worden in dit gedeelte van het scherm weergegeven.
7. Met deze menu’s navigeert u naar de tabbladen Configure Flow (flow configureren),
Basic Setup (basisinstelling), Device (instrument), Variables (variabelen),
Calibration (kalibratie) en Save/Send Configuration (configuratie
opslaan/verzenden).
8. Met deze knoppen navigeert u naar de onderdelen Config/Setup
(configuratie/instelling), Device Diagnostics (diagnostiek instrument) of
Process Variables (procesvariabelen).
Engineering Assistant 6.1 of hoger opstarten
U verricht de flowconfiguratie voor de 3051S MultiVariable-transmitter door de
Engineering Assistant te starten vanuit het menu START.
1. Selecteer het menu Start > Alle programma’s > Engineering Assistant. Engineering
Assistant wordt geopend met het scherm dat staat weergegeven in Afbeelding 11.
2. Selecteer de knop Offline rechtsonder op het scherm, zoals weergegeven in
Afbeelding 11.
Afbeelding 11. Scherm voor instrumentverbinding van de Engineering Assistant
15
Snelstartgids
Mei 2015
Voorkeuren
Met het tabblad Preferences (voorkeuren), zoals weergegeven in Afbeelding 12,
kan de gebruiker de gewenste technische eenheden selecteren.
1. Selecteer de gewenste technische eenheden.
2. Als Custom Units (aangepaste eenheden) wordt geselecteerd, configureer dan
ook Individual Parameters (individuele parameters).
3. Schakel het selectievakje in als u wilt dat de eenheidsvoorkeuren worden
bewaard voor toekomstige sessies met de Engineering Assistant.
Afbeelding 12. Tabblad Preferences (voorkeuren)
Vloeistofselectie voor database vloeistof/gas
Met het tabblad Fluid Selection (vloeistofselectie), zoals weergegeven in
Afbeelding 13 kunt u de procesvloeistof selecteren.
16
Mei 2015
Snelstartgids
Afbeelding 13. Tabblad Fluid Selection (vloeistofselectie)
Opmerking
Het onderstaande voorbeeld betreft de flowconfiguratie voor het databasegas Air (lucht) met een
405C-conditioneringsmeetschijf als het primaire element. De configuratieprocedure voor een
andere vloeistof met een ander primair element is in grote lijnen dezelfde als in dit voorbeeld. Voor
natuurlijke gasmengsels, zelf samengestelde vloeistoffen en zelf samengestelde gasmengsels
moeten tijdens de configuratie aanvullende stappen worden uitgevoerd. Zie hoofdstuk 3 van de
naslaghandleiding van de 3051S MultiVariable-transmitter (documentnummer
00809-0100-4803) voor nadere informatie.
1. Engineering Assistant gaat mogelijk open met het tabblad Preferences
(voorkeuren). Met de tabs boven aan het scherm gaat u naar het tabblad Fluid
Selection (vloeistofselectie).
2. Vouw de categorie Gas uit (klik op het pictogram +).
3. Vouw de categorie Database Gas (databasegas) uit.
4. Selecteer Air (lucht) in de lijst met databasevloeistoffen.
5. Voer de Nominal Operating Pressure (nominale bedrijfsdruk) in en druk op de
toets Enter of Tab.
6. Voer de Nominal Operating Temperature (nominale bedrijfstemperatuur) in en
druk op de toets Enter of Tab. Engineering Assistant vult automatisch
suggesties voor bedrijfsbereiken in, zoals weergegeven in Afbeelding 13. Deze
waarden kunnen door de gebruiker naar wens worden bewerkt.
7. Controleer of de Reference / Atmospheric Conditions (referentie-/atmosferische
omstandigheden) correct zijn voor de toepassing. Deze waarden kunnen naar
wens worden bewerkt.
17
Snelstartgids
Mei 2015
Opmerking
Referentiewaarden voor druk en temperatuur worden door de Engineering Assistant gebruikt om
de flowsnelheid van massa-eenheden om te rekenen in massa-eenheden uitgedrukt als standaard
of normale volumetrische eenheden.
8. Selecteer Next (volgende) om verder te gaan naar het tabblad Fluid Properties
(vloeistofeigenschappen).
Vloeistofeigenschappen
Opmerking
Het tabblad Fluid Properties (vloeistofeigenschappen) is een optionele stap die niet vereist is voor
het voltooien van een flowconfiguratie.
Het tabblad Fluid Properties (vloeistofeigenschappen) voor het databasegas Lucht
is weergegeven in Afbeelding 14. De gebruiker kan nagaan of de eigenschappen
van de gekozen vloeistof aanvaardbaar zijn.
1. Om de dichtheid, samendrukbaarheid en viscositeit van de geselecteerde
vloeistof bij andere druk- en temperatuurwaarden na te gaan, vult u een
Pressure (druk) en een Temperature (temperatuur) in en klikt u op Calculate
(berekenen).
Opmerking
Wijzigen van de druk- en temperatuurwaarde op het tabblad Fluid Properties
(vloeistofeigenschappen) heeft geen gevolgen voor de vloeistofconfiguratie.
Afbeelding 14. Tabblad Fluid Properties (vloeistofeigenschappen)
18
Mei 2015
Snelstartgids
Selectie primair element
Met het tabblad Primary Element Selection (selectie primair element), zoals
weergegeven in Afbeelding 15, kan de gebruiker het primaire element selecteren.
Afbeelding 15. Tabblad Primary Element Selection (selectie primair element)
We gaan door met dezelfde voorbeeldconfiguratie:
1. Vouw de categorie Conditioning Orifice Plate (conditioneringsmeetschijf) uit.
2. Selecteer 405C/3051SFC.
3. Voer de Measured Meter Tube Diameter (pipe ID) (gemeten diameter van de
meterbuis [buis-ID]) in met een Reference Temperature
(referentietemperatuur). Als de diameter van de meetbuis niet kan worden
gemeten, selecteert u een Nominal Pipe Size (nominale buismaat) en Pipe
Schedule (buisschema) om een geschatte waarde voor de diameter van de
meetbuis in te voeren (alleen Engelse maten).
4. Zo nodig bewerkt u het Meter Tube Material (materiaal meetbuis).
5. Voer de Line Size (afmeting leiding) in en selecteer de Beta van de
conditioneringsmeetschijf. Welke maatparameters van het primaire element
vereist zijn, hangt ervan af welk primair element is geselecteerd.
6. Selecteer zo nodig een Primary Element Material (materiaal primair element) uit
het vervolgkeuzemenu.
7. Selecteer Next > (volgende) om door te gaan naar het tabblad Save/Send
Configuration (configuratie opslaan/verzenden).
Opmerking
Om te voldoen aan de geldende nationale of internationale normen moeten de betaverhoudingen en
de verschildruk producerende diameters binnen de grenzen liggen die zijn vermeld in de geldende
normen. De Engineering Assistant waarschuwt de gebruiker als een waarde van het primaire element
buiten deze grenzen valt, maar laat de gebruiker wel doorgaan met de flowconfiguratie.
19
Snelstartgids
Mei 2015
Configuratie opslaan/verzenden
Op het tabblad Save/Send Configuration (configuratie opslaan/verzenden),
weergegeven in Afbeelding 16, kan de gebruiker de configuratiegegevens
controleren, opslaan en verzenden naar de 3051S MultiVariable-transmitter met
de functieprintplaat voor volledig gecompenseerde massa- en energieflow.
1. Raadpleeg de informatie onder Flow Configuration (flowconfiguratie) en Device
Configuration (instrumentconfiguratie).
Opmerking
Zie “Controleer de instrumentconfiguratie” op pagina 22 voor nadere informatie over
instrumentconfiguratie.
Afbeelding 16. Tabblad Save/Send Configuration (configuratie
opslaan/verzenden)
2. Selecteer het pictogram boven een venster als u de configuratiegegevens in
het betreffende venster wilt bewerken. Als alle informatie correct is, gaat u
door naar stap 3.
Opmerking
De gebruiker wordt gewaarschuwd als de configuratie is gewijzigd sinds de laatste keer dat deze
naar de transmitter is verzonden. Rechts van de selectievakjes Send Flow Data (flowgegevens
verzenden) en/of Send Transmitter Data (transmittergegevens verzenden) wordt een
waarschuwingsbericht weergegeven.
3. Selecteer de knop Send To (verzenden naar) om de configuratie te verzenden.
20
Mei 2015
Snelstartgids
Opmerking
De selectievakjes Send Flow Data (flowgegevens verzenden) en Send Transmitter Data
(transmittergegevens verzenden) kunnen worden gebruikt om te selecteren welke
configuratiegegevens naar de transmitter worden verzonden. Als een van de selectievakjes niet is
ingeschakeld, worden de betreffende gegevens niet verzonden.
4. Het scherm voor instrumentverbinding van Engineering Assistant wordt
geopend. Zie Afbeelding 17.
Afbeelding 17. Scherm voor instrumentverbinding van de Engineering
Assistant
5. Selecteer de knop Search (zoeken) rechtsonder op het scherm. De
Engineering Assistant begint naar aangesloten instrumenten te zoeken.
6. Als de zoekbewerking voltooid is, kiest u het instrument waarmee u wilt
communiceren en klikt u op Send Configuration (configuratie verzenden).
7. Als de verzending van de configuratie naar het instrument voltooid is, krijgt de
gebruiker daarvan een melding in een dialoogvenster.
Opmerking
Wij adviseren om de configuratie na verzending naar het instrument op te slaan. De gebruiker kan
de knop Save (opslaan) op het scherm Save/Send (opslaan/verzenden) selecteren of Save (opslaan)
selecteren in het programma Menu.
8. Als het configuratieproces voltooid is, kan de gebruiker de Engineering
Assistant sluiten.
21
Mei 2015
Snelstartgids
Stap 6: Controleer de instrumentconfiguratie
Gebruik 3051SMV Engineering Assistant of een HART-compatibele master voor
communicatie met en controle van de configuratie van de 3051S
MultiVariable-transmitter.
Tabel 1 toont de sneltoetsen van de 375-veldcommunicator voor de volledig
gecompenseerde massa- en energieflow. Tabel 2 toont de sneltoetsen voor
directe uitgang van procesvariabelen.
Opmerking
Instrumentconfiguratieprocedures voor 3051SMV Engineering Assistant 6.1 of hoger en AMS®
Device Manager 9.0 of hoger staan vermeld in de naslaghandleiding van de 3051S
MultiVariable-transmitter (documentnummer 00809-0100-4803).
De basis-configuratieparameters zijn aangevinkt (⻫). Als onderdeel van de
configuratie- en opstartprocedure moeten op zijn minst deze parameters worden
gecontroleerd.
Tabel 1. Sneltoetsen voor volledig gecompenseerde massa- en energieflow
⻫
⻫
⻫
22
Functie
Sneltoetsreeks
Absolute Pressure Reading and Status (waarde en status
absolute druk)
1,4,2,1,5
Absolute Pressure Sensor Limits (sensorlimieten absolute
druk)
1,4,1,5,8
Absolute Pressure Units (eenheden absolute druk)
1,3,3,5
Alarm and Saturation Level Configuration (configuratie
alarm- en verzadigingsniveau)
1,4,2,6,6
Alarm and Saturation Levels (alarm- en
verzadigingsniveaus)
1,4,2,6
Analog Output Trim Options (trimopties analoge uitgang)
1,2,5,2
Burst Mode Setup (configuratie burstmodus)
1,4,3,3,3
Burst Mode Options (opties burstmodus)
1,4,3,3,4
Callendar-van Dusen Sensor Matching (Callendar-van
Dusen-sensor-matching)
1,2,5,5,4
Configure Fixed Variables (vaste variabelen configureren)
1,2,4
Damping (demping)
1,3,7
Diaphragm Seals Information (informatie
membraanafdichtingen)
1,4,4,5
Differential Pressure Low Flow Cutoff
(lage-flowuitschakelpunt verschildruk)
1,4,1,1,6
Differential Pressure Reading and Status (waarde en status
verschildruk)
1,4,2,1,4
Differential Pressure Sensor Trim Options (trimopties
verschildruksensor)
1,2,5,3
Differential Pressure Zero Trim (nulpuntstrim verschildruk)
1,2,5,3,1
Differential Pressure Units (eenheden verschildruk)
1,3,3,4
Energy Rate Units (eenheden van energiesnelheid)
1,3,3,2
Snelstartgids
Mei 2015
Tabel 1. Sneltoetsen voor volledig gecompenseerde massa- en energieflow
Functie
⻫
⻫
⻫
⻫
Sneltoetsreeks
Energy Reading and Status (waarde en status energie)
1,4,2,1,2
Equipped Sensors (aangebrachte sensors)
1,4,4,4
Field Device Information (veldinstrumentinformatie)
1,4,4,1
Flow Calculation Type (flowberekeningstype)
1,4,1,1,2
Flow Rate Units (eenheden flowsnelheid)
1,3,3,1
Flow Reading and Status (waarde en status flow)
1,4,2,1,1
Gage Pressure Reading and Status (waarde en status
manometerdruk)
1,4,2,1,6
Gage Pressure Sensor Limits (sensorlimieten
manometerdruk)
1,4,1,5,9
Gage Pressure Units (eenheden manometerdruk)
1,3,3,6
LCD Configuration (configuratie lcd-display)
1,3,8
Loop Test (kringtest)
1,2,2
Module Temperature Reading and Status
(temperatuurwaarde en -status module)
1,4,2,1,8
Module Temperature Units (temperatuureenheden
module)
1,3,3,8
Poll Address (poll-adres)
1,4,3,3,1
Process Temperature Reading and Status (waarde en
status procestemperatuur)
1,4,2,1,7
Process Temperature Sensor Mode (modus
procestemperatuursensor)
1,4,1,6,8
Process Temperature Sensor Trim Options (trimopties
procestemperatuursensor)
1,2,5,5
Process Temperature Unit (eenheid procestemperatuur)
1,3,3,7
Ranging the Analog Output (bereik analoge uitgang
instellen)
1,2,5,1
Recall Factory Trim Settings (fabrieks-triminstellingen
terugroepen)
1,2,5,2,3
Sensor Information (sensorinformatie)
1,4,4,2
Static Pressure Sensor Lower Trim (AP Sensor) (sensor-trim
laag statischedruksensor [AP-sensor])
1,2,5,4,2
Static Pressure Sensor Trim Options (trimopties
statischedruksensor)
1,2,5,4
Static Pressure Sensor Zero Trim (AP Sensor) (nulpuntstrim
statischedruksensor [AP-sensor])
1,2,5,4,1
Status (status)
1,2,1
Tag (tag)
1,3,1
Test Flow Calculation (test flowberekening)
1,2,3
Totalizer Configuration (configuratie totaalteller)
1,4,1,3
Totalizer Reading and Status (waarde en status totaalteller)
1,4,2,1,3
Totalizer Units (eenheden totaalteller)
1,3,3,3
Variable Mapping (toewijzing variabelen)
1,4,3,4
Write Protect (schrijfbeveiliging)
1,3,5,4
23
Mei 2015
Snelstartgids
Tabel 2. Sneltoetsen voor directe uitgang voor procesvariabelen
Functie
Sneltoetsreeks
Absolute Pressure Reading and Status (waarde en status
absolute druk)
1,4,2,1,2
Absolute Pressure Sensor Limits (sensorlimieten absolute
druk)
1,4,1,2,8
Absolute Pressure Units (eenheden absolute druk)
1,3,3,2
Alarm and Saturation Level Configuration (configuratie
alarm- en verzadigingsniveau)
1,4,2,6,6
Alarm and Saturation Levels (alarm- en
verzadigingsniveaus)
1,4,2,6
Analog Output Trim Options (trimopties analoge uitgang)
1,2,4,2
Burst Mode Setup (configuratie burstmodus)
1,4,3,3,3
Burst Mode Options (opties burstmodus)
1,4,3,3,4
Callendar-van Dusen Sensor Matching (Callendar-van
Dusen-sensor-matching)
1,2,4,5,4
Damping (demping)
1,3,7
Diaphragm Seals Information (informatie
membraanafdichtingen)
1,4,4,4
Differential Pressure Reading and Status (waarde en status
verschildruk)
1,4,2,1,1
Differential Pressure Sensor Trim Options (trimopties
verschildruksensor)
1,2,4,3
⻫
Differential Pressure Zero Trim (nulpuntstrim verschildruk)
1,2,4,3,1
⻫
Differential Pressure Units (eenheden verschildruk)
1,3,3,1
Equipped Sensors (aangebrachte sensors)
1,4,4,3
Field Device Information (veldinstrumentinformatie)
1,4,4,1
Gage Pressure Reading and Status (waarde en status
manometerdruk)
1,4,2,1,3
Gage Pressure Sensor Limits (sensorlimieten
manometerdruk)
1,4,1,2,9
Gage Pressure Units (eenheden manometerdruk)
1,3,3,3
LCD Configuration (configuratie lcd-display)
1,3,8
Loop Test (kringtest)
1,2,2
Module Temperature Reading and Status
(temperatuurwaarde en -status module)
1,4,2,1,5
Module Temperature Units (temperatuureenheden
module)
1,3,3,5
Poll Address (poll-adres)
1,4,3,3,1
Process Temperature Reading and Status (waarde en
status procestemperatuur)
1,4,2,1,4
Process Temperature Sensor Trim Options (trimopties
procestemperatuursensor)
1,2,4,5
Process Temperature Unit (eenheid procestemperatuur)
1,3,3,4
Ranging the Analog Output (bereik analoge uitgang
instellen)
1,2,4,1
⻫
⻫
24
Snelstartgids
Mei 2015
Tabel 2. Sneltoetsen voor directe uitgang voor procesvariabelen
Functie
Sneltoetsreeks
Recall Factory Trim Settings (fabrieks-triminstellingen
terugroepen)
1,2,4,2,3
Sensor Information (sensorinformatie)
1,4,4,2
Static Pressure Sensor Lower Trim (AP Sensor) (sensor-trim
laag statischedruksensor [AP-sensor])
1,2,4,4,2
Static Pressure Sensor Trim Options (trimopties
statischedruksensor)
1,2,4,4
Static Pressure Sensor Zero Trim (AP Sensor) (nulpuntstrim
statischedruksensor [AP-sensor])
1,2,4,4,1
Status (status)
1,2,1
⻫
Tag (tag)
1,3,1
⻫
Transfer Function (transferfunctie)
1,3,6
Variable Mapping (toewijzing variabelen)
1,4,3,4
Write Protect (schrijfbeveiliging)
1,3,5,4
Stap 7: Trim de transmitter
Transmitters worden volledig gekalibreerd geleverd, volgens de gevraagde
specificatie of volgens de fabrieksinstelling van een volledige schaal.
Nulpuntstrim
Een nulpuntstrim is een afstelling op een enkel punt om te compenseren voor
effecten met betrekking tot de invloed van montagestand en leidingdruk op
sensors voor statische en verschildruk. Zorg bij het uitvoeren van een
nulpuntstrim dat de egalisatiekraan open staat en alle natte poten tot het juiste
niveau zijn gevuld.
U kunt de transmitter maximaal trimmen voor een bovenste-meetgrensnulfout
van 5%.
Een nulpuntstrim uitvoeren met de 375-veldcommunicator
1. Vereffen de druk in de transmitter of zet hem open naar de lucht en sluit de
375 aan (zie Afbeelding 6 op pagina 10 voor nadere inlichtingen over het
aansluiten van de 375).
2. Als het instrument is uitgerust met een statischedruksensor, stelt u de sensor
op nul door de volgende reeks sneltoetsen in te voeren in het menu van de
3051S MultiVariable-transmitter:
Sneltoetsen
flow
Sneltoetsen
directe uitgang
Beschrijving
1,2,5,4
1,2,4,4
Static Pressure Sensor Trim Options
(trimopties statischedruksensor)
3. Gebruik de nulpuntstrim (selectie 1) voor een transmitter uitgerust met een
statischedruksensor met manometer of een sensortrim laag (selectie 2) voor
een transmitter uitgerust met een sensor voor absolute statische druk.
25
Mei 2015
Snelstartgids
Opmerking
Als een sensortrim laag wordt uitgevoerd op een absolutedruksensor kan de werking van de sensor
worden aangetast als er onjuiste kalibratieapparatuur wordt gebruikt. Gebruik een barometer die
minimaal drie keer zo nauwkeurig is als de absolute sensor van de 3051S
MultiVariable-transmitter.
4. Stel de verschildruksensor op nul door de volgende reeks sneltoetsen in te
voeren in het menu van de 3051S MultiVariable-transmitter:
26
Sneltoetsen
flow
Sneltoetsen directe
uitgang
Beschrijving
1,2,5,3,1
1,2,4,3,1
Differential Pressure Sensor Zero Trim
(nulpuntstrim verschildruksensor)
Snelstartgids
Mei 2015
Productcertificeringen
Rev 1.0
Informatie over Europese richtlijnen
Achter in deze snelstartgids vindt u een exemplaar van de EG-verklaring van
overeenstemming. De meest recente revisie van de EG-verklaring van
overeenstemming is beschikbaar op www.rosemount.com.
Certificering voor normale locaties
De transmitter is volgens de standaardprocedure onderzocht en getest, waarbij is
vastgesteld dat het ontwerp voldoet aan de elementaire elektrische,
mechanische en brandveiligheidsvereisten, door een in de VS nationaal erkend
onderzoekslaboratorium (nationally recognized testing laboratory; NRTL) dat is
geaccrediteerd door de Amerikaanse Occupational Safety and Health
Administration (OSHA).
Apparatuur installeren in Noord-Amerika
De Amerikaanse National Electrical Code (NEC) en de Canadese Electrical Code
(CEC) verbieden het gebruik van apparatuur met divisiemarkering in zones of
apparatuur met zonemarkering in divisies. De markeringen moeten geschikt zijn
voor de gebiedsclassificatie, gas- en temperatuurklasse. Deze informatie is
duidelijk vastgelegd in de betreffende codes.
Noord-Amerika
E5 FM explosieveilig (XP) en stofontstekingsbestendig (DIP)
Certificaat: 3008216
Normen:
FM-klasse 3600 — 2011, FM-klasse 3615 — 2006, FM-klasse 3616 — 2011,
FM-klasse 3810 — 2005, ANSI/NEMA 250 — 2003
Markeringen: XP CL I, DIV 1, GP B, C, D; DIP CL II, DIV 1, GP E, F, G; CL III;
T5(-50 °C Ta  +85 °C); in fabriek afgedicht; type 4X
I5
FM intrinsieke veiligheid (IS) en niet-vonkend (NI)
Certificaat: 3031960
Normen:
FM-klasse 3600 — 2011, FM-klasse 3610 — 2007, FM-klasse 3611 — 2004,
FM-klasse 3616 — 2006, FM-klasse 3810 — 2005, NEMA 250 — 1991
Markeringen: IS CL I, DIV 1, GP A, B, C, D; CL II, DIV 1, GP E, F, G; klasse III; klasse 1,
zone 0 AEx ia IIC T4; NI CL 1, DIV 2, GP A, B, C, D; T4(-50 °C  Ta  +70 °C);
indien aangesloten volgens Rosemount-tekening 03151-1206; type 4X
Opmerking
Transmitters met de markering NI CL 1, DIV 2 kunnen worden geïnstalleerd in divisie 2-locaties met
behulp van divisie 2-bedradingsmethodes of niet-vonkende veldbedrading (NIFW). Zie tekening
03151-1206.
27
Mei 2015
Snelstartgids
Canada
E6 CSA explosieveilig, stofontstekingsbestendig en divisie 2
Certificaat: 1143113
Normen:
CAN/CSA C22.2 nr. 0-10, CSA-norm C22.2 nr. 25-1966,
CSA-norm C22.2 nr. 30-M1986, CAN/CSA C22.2 nr. 94-M91,
CSA-norm C22.2 nr. 142-M1987, CSA-norm C22.2 nr. 213-M1987,
ANSI/ISA 12.27.01-2003, CSA-norm C22.2 nr. 60529:05
Markeringen: Explosieveilig klasse I, divisie 1, groep B, C, D; stofontstekingsbestendig
klasse II, divisie 1, groep E, F, G; klasse III; geschikt voor klasse I, divisie 2,
groep A, B, C, D; type 4X
I6
CSA intrinsiek veilig
Certificaat: 1143113
Normen:
CAN/CSA C22.2 nr. 0-10, CSA-norm C22.2 nr. 30-M1986,
CAN/CSA C22.2 nr. 94-M91, CSA-norm C22.2 nr. 142-M1987,
CSA-norm C22.2 nr. 157-92, ANSI/ISA 12.27.01-2003,
CSA-norm C22.2 nr. 60529:05
Markeringen: Intrinsiek veilig klasse I, divisie 1; groep A, B, C, D; geschikt voor klasse 1,
zone 0, IIC, T3C; indien geïnstalleerd volgens Rosemount-tekening
03151-1207; type 4X
Europa
E1 ATEX drukvast
Certificaat: KEMA 00ATEX2143X
Normen:
EN 60079-0:2012, EN 60079-1: 2007, EN 60079-26:2007
(3051SFx-modellen met RTD zijn gecertificeerd volgens EN 60079-0:2006)
Markeringen:
II 1/2 G Ex d IIC T6…T4 Ga/Gb, T6(-60 °C  Ta  +70 °C),
T5/T4(-60 °C  Ta  +80 °C)
Temperatuurklasse
Procestemperatuur
T6
-60 °C tot +70 °C
T5
-60 °C tot +80 °C
T4
-60 °C tot +120 °C
Speciale voorwaarden voor veilig gebruik (X):
1. Het instrument bevat een dunwandig membraan. Bij installatie, onderhoud en
gebruik moet rekening worden gehouden met de
omgevingsomstandigheden waaraan het membraan wordt blootgesteld. De
aanwijzingen van de fabrikant voor installatie en onderhoud dienen
nauwgezet gevolgd te worden voor veiligheid tijdens de te verwachten
levensduur.
2. Raadpleeg de fabrikant voor informatie over de afmetingen van de drukvaste
naden.
28
Snelstartgids
Mei 2015
I1
ATEX intrinsieke veiligheid
Certificaat: Baseefa08ATEX0064X
Normen:
EN 60079-0: 2012, EN 60079-11: 2012
Markeringen:
II 1 G Ex ia IIC T4 Ga, T4(-60 °C  Ta  +70 °C)
HART
Alleen
SuperModule™
RTD (voor 3051SFx)
Spanning Ui
30 V
7,14 V
30 V
Stroom Ii
300 mA
300 mA
2,31 mA
Vermogen Pi
1W
887 mW
17,32 mW
Elektrische capaciteit Ci
14,8 nF
0,11 uF
0
Zelfinductie Li
0
0
0
Speciale voorwaarden voor veilig gebruik (X):
1. Als de apparatuur is voorzien van een optionele 90 V-overspanningsbeveiliging, kan deze de 500 V-isolatietest niet doorstaan. Hierbij moet tijdens de
installatie rekening worden gehouden
2. De behuizing is vervaardigd van een aluminiumlegering en is afgewerkt met
een beschermende polyurethaanverf; in een zone 0 moet echter worden
opgelet dat de behuizing niet wordt blootgesteld aan stoten of schuring.
ND ATEX stof
Certificaat: BAS01ATEX1374X
Normen:
EN 60079-0: 2012, EN 60079-31: 2009
Markeringen:
II 1 D Ex ta IIIC T105 °C T500 95 °C Da, (-20 °C  Ta  +85 °C),
Vmax = 42,4 V
Speciale voorwaarden voor veilig gebruik (X):
1. Er moeten kabelingangen worden gebruikt die de beschermingsgraad van de
behuizing op ten minste IP66 houden.
2. Ongebruikte kabelingangen moeten worden afgesloten met geschikte
afsluitpluggen die de beschermingsgraad van de behuizing op ten minste IP66
houden.
3. Kabelingangen en afsluitpluggen moeten geschikt zijn voor het
omgevingstemperatuurbereik van de apparatuur en een 7J-slagproef kunnen
doorstaan.
4. De SuperModule moet stevig op zijn plaats worden bevestigd om de
beschermingsgraad van de behuizing te handhaven.
N1 ATEX-type n
Certificaat: Baseefa08ATEX0065X
Normen:
EN 60079-0: 2012, EN 60079-15: 2010
Markeringen:
II 3 G Ex nA IIC T4 Gc, (-40 °C  Ta  +70 °C), Vmax = 45 V
Speciale voorwaarde voor veilig gebruik (X):
1. Als het instrument is voorzien van een piekspanningsonderdrukker van 90 V, is
het niet bestand tegen de isolatietest van 500 V zoals bepaald in artikel 6.5.1
van EN60079-15:2010. Hiermee moet bij installatie rekening worden
gehouden.
29
Mei 2015
Snelstartgids
Internationaal
E7 IECEx drukvast en stof
Certificaat: IECEx KEM 08.0010X (drukvast)
Normen:
IEC 60079-0:2011, IEC 60079-1: 2007, IEC 60079-26:2006
(3051SFx-modellen met RTD zijn gecertificeerd volgens IEC 60079-0:2004)
Markeringen: Ex d IIC T6…T4 Ga/Gb, T6(-60 °C  Ta  +70 °C), T5/T4(-60 °C  Ta  +80 °C)
Temperatuurklasse
Procestemperatuur
T6
-60 °C tot +70 °C
T5
-60 °C tot +80 °C
T4
-60 °C tot +120 °C
Speciale voorwaarden voor veilig gebruik (X):
1. Het instrument bevat een dunwandig membraan. Bij installatie, onderhoud en
gebruik moet rekening worden gehouden met de
omgevingsomstandigheden waaraan het membraan wordt blootgesteld. De
aanwijzingen van de fabrikant voor installatie en onderhoud dienen
nauwgezet gevolgd te worden voor veiligheid tijdens de te verwachten
levensduur.
2. Raadpleeg de fabrikant voor informatie over de afmetingen van de drukvaste
naden.
Certificaat:
IECEx BAS 09.0014X (stof)
Normen:
IEC 60079-0:2011, IEC 60079-31:2008
Markeringen: Ex ta IIIC T105 °C T500 95 °C Da, (-20 °C  Ta  +85 °C), Vmax = 42,4 V
Speciale voorwaarden voor veilig gebruik (X):
1. Er moeten kabelingangen worden gebruikt die de beschermingsgraad van de
behuizing op ten minste IP66 houden.
2. Ongebruikte kabelingangen moeten worden afgesloten met geschikte
afsluitpluggen die de beschermingsgraad van de behuizing op ten minste IP66
houden.
3. Kabelingangen en afsluitpluggen moeten geschikt zijn voor het
omgevingstemperatuurbereik van de apparatuur en een 7J-slagproef kunnen
doorstaan.
4. De 3051S SuperModule moet stevig op zijn plaats worden bevestigd om de
beschermingsgraad van de behuizing te handhaven.
I7
30
IECEx intrinsieke veiligheid
Certificaat: IECEx BAS 08.0025X
Normen:
IEC 60079-0: 2011, IEC 60079-11: 2011
Markeringen: Ex ia IIC T4 Ga, T4(-60 °C  Ta  +70 °C)
Snelstartgids
Mei 2015
HART
Alleen SuperModule
RTD (voor 3051SFx)
Spanning Ui
30 V
7,14 V
30 V
Stroom Ii
300 mA
300 mA
2,31 mA
Vermogen Pi
1W
887 mW
17,32 mW
Elektrische capaciteit Ci
14,8 nF
0,11 uF
0
Zelfinductie Li
0
0
0
Speciale voorwaarden voor veilig gebruik (X):
1. Als de apparatuur is voorzien van een optionele 90 V-overspanningsbeveiliging,
kan deze de 500 V-isolatietest niet doorstaan. Hierbij moet tijdens de installatie
rekening worden gehouden.
2. De behuizing is vervaardigd van een aluminiumlegering en is afgewerkt met
een beschermende polyurethaanverf; in een zone 0 moet echter worden
opgelet dat de behuizing niet wordt blootgesteld aan stoten of schuring.
N7 IECEx-type n
Certificaat: IECEx BAS 08.0026X
Normen:
IEC 60079-0: 2011, IEC 60079-15: 2010
Markeringen: Ex nA IIC T5 Gc, (-40 °C  Ta  +70 °C)
Speciale voorwaarde voor veilig gebruik (X):
1. Als het instrument is voorzien van een 90 V piekspanningsonderdrukker, is het
niet bestand tegen de isolatietest van 500 V zoals bepaald in artikel 6.5.1 van
IEC 60079-15:2010. Hiermee moet bij installatie rekening worden gehouden.
Brazilië
E2 INMETRO drukvast
Certificaat: CEPEL 03.0140X [vervaardigd in VS, Singapore, Duitsland],
CEPEL 07.1413X [vervaardigd in Brazilië]
Normen:
ABNT NBR IEC 60079-0:2008, ABNT NBR IEC 60079-1:2009,
ABNT NBR IEC 60529:2009
Markeringen: Ex d IIC T* Ga/Gb, T6(-40 °C  Ta  +65 °C), T5(-40 °C  Ta  +80 °C), IP66*
Speciale voorwaarden voor veilig gebruik (X):
1. Bij een omgevingstemperatuur boven 60 °C moet de isolatietemperatuur van
de kabelbedrading ten minste 90 °C bedragen voor overeenstemming met de
bedrijfstemperatuur van de apparatuur.
2. Het instrument bevat een dunwandig membraan. Bij installatie, onderhoud en
gebruik moet rekening worden gehouden met de omgevingsomstandigheden
waaraan het membraan wordt blootgesteld. De aanwijzingen van de fabrikant
voor installatie en onderhoud dienen nauwgezet gevolgd te worden voor
veiligheid tijdens de te verwachten levensduur.
31
Mei 2015
Snelstartgids
I2
INMETRO intrinsieke veiligheid
Certificaat: NCC 12.1158X [vervaardigd in VS, Duitsland]
Normen:
ABNT NBR IEC 60079-0:2008, ABNT NBR IEC 60079-11:2009,
ABNT NBR IEC 60079-26:2008
Markeringen: Ex ia IIC T4 Ga, T4(-60 °C  Ta  +70 °C), IP66*
Speciale voorwaarden voor veilig gebruik (X):
1. Als de apparatuur is voorzien van een optionele 90 V-overspanningsbeveiliging,
kan deze de 500 V-isolatietest niet doorstaan. Hierbij moet tijdens de installatie
rekening worden gehouden.
2. Voor processen met temperaturen van meer dan 135 °C moet de gebruiker
beoordelen of de temperatuurklasse van de SuperModule geschikt is voor
dergelijke toepassingen, omdat in deze situatie het risico bestaat dat de
temperatuur van de SuperModule hoger is dan T4.
HART
Alleen SuperModule
RTD (voor 3051SFx)
Spanning Ui
30 V
7,14 V
30 V
Stroom Ii
300 mA
300 mA
2,31 mA
Vermogen Pi
1W
887 mW
17,32 mW
Elektrische capaciteit Ci
14,8 nF
0,11 uF
0
Zelfinductie Li
0
0
0
China
E3 China drukvast en stofontstekingsbestendig
Certificaat: 3051SMV: GYJ14.1039X [vervaardigd in VS, China, Singapore]
3051SFx: GYJ11.1711X [vervaardigd in VS, China, Singapore]
Normen:
3051SMV: GB3836.1-2010, GB3836.2-2010, GB3836.20-2010
3051SFx: GB3836.1-2010, GB3836.2-2010, GB3836.20-2010,
GB12476.1-2000
Markeringen: 3051SMV: Ex d IIC T6/T5 Ga/Gb
3051SFx: Ex d IIC T6/T5 Ga/Gb; DIP A20 TA105 °C; IP66
Speciale voorwaarde voor veilig gebruik (X):
1. Het symbool “X” wordt gebruikt voor aanduiding van specifieke
gebruiksvoorwaarden: Raadpleeg de fabrikant voor informatie over de
afmetingen van de drukvaste naden.
2. Het verband tussen de T-code en het omgevingstemperatuurbereik is als volgt:
T-code
Omgevingstemperatuurbereik
T6
-50 °C ~+65 °C
T5
-50 °C ~+80 °C
3. De voorziening voor aardverbinding op de behuizing moet op betrouwbare
wijze worden aangesloten.
4. Tijdens installatie, gebruik en onderhoud van het product in een explosiegevaarlijke atmosfeer moet u zich houden aan de waarschuwing “Het deksel niet
openen als er spanning op het circuit staat”. Bij installatie, gebruik en onderhoud in een explosieve stofatmosfeer moet de waarschuwing “Niet openen in
aanwezigheid van explosieve stofatmosfeer” in acht worden genomen.
32
Snelstartgids
Mei 2015
5. Er mag bij de installatie geen mengsel worden gebruikt dat de behuizing zou
kunnen beschadigen.
6. Tijdens installatie, gebruik en onderhoud in een omgeving met explosieve
stoffen moet de behuizing van het product worden gereinigd om het ophopen
van stof te voorkomen. Hierbij mag echter geen perslucht worden gebruikt.
7. Bij installaties in een explosiegevaarlijke omgeving moeten kabelwartels en
afsluitpluggen worden gebruikt die door overheidsinstanties als
beschermingsklasse Ex dc Gb of Ex d IIC Gb DIP A20 [flowmeters] IP66
gecertificeerd zijn. Ongebruikte kabelopeningen moeten met afsluitpluggen
worden afgesloten.
8. Het is eindgebruikers niet toegestaan om onderdelen te verwisselen; ze
dienen contact op te nemen met de fabrikant om beschadiging van het
product te voorkomen.
9. Onderhoudswerkzaamheden moeten worden verricht als er geen atmosfeer
met explosief gas of stof is.
10. Tijdens installatie, gebruik en onderhoud van dit product moeten de volgende
normen in acht worden genomen:
GB3836.13-1997 “Electrical apparatus for explosive gas atmospheres Part 13:
Repair and overhaul for apparatus used in explosive gas atmospheres”
GB3836.15-2000 “Electrical apparatus for explosive gas atmospheres Part 15:
Electrical installations in hazardous area (other than mines)”
GB3836.16-2006 “Electrical apparatus for explosive gas atmospheres Part 16:
Inspection and maintenance of electrical installation than mines)”
GB50257-1996 “Code for construction and acceptance of electric device for
explosion atmospheres and fire hazard electrical equipment installation
engineering”
I3
Intrinsieke veiligheid China
Certificaat: 3051SMV: GYJ14.1040X [vervaardigd in VS, China, Singapore]
3051SFx: GYJ11.1707X [vervaardigd in VS, China, Singapore]
Normen:
3051SMV: GB3836.1-2010, GB3836.4-2010, GB3836.20-2010
3051SFx: GB3836.1/4-2010, GB3836.20-2010, GB12476.1-2000
Markeringen: 3051SMV: Ex ia IIC T4 Ga
3051SFx: Ex ia IIC T4 Ga, DIP A20 TA105 °C; IP66
Speciale voorwaarden voor veilig gebruik (X):
1. De behuizing kan lichte metalen bevatten. Er moet derhalve worden gezorgd
dat ontstekingsgevaar vanwege stoten of wrijving wordt voorkomen.
2. Dit instrument kan de volgens artikel 6.3.12 van GB3836.4-2010
gedefinieerde 500 V-isolatietest niet doorstaan.
3. Bereik omgevingstemperatuur: -60 °C ~+70 °C
4. Elektrische parameters voor intrinsieke veiligheid:
Maximale
ingangsspanning:
Ui (V)
Maximale
ingangsstroom:
Ii (mA)
Maximaal
ingangsvermogen:
Pi (W)
30
300
1,0
Maximale inwendige
parameters:
Ci (nF)
Li (μH)
14,8
0
33
Mei 2015
Snelstartgids
Maximale
uitgangsspanning:
Ui (V)
Maximale
uitgangsstroom:
Ii (mA)
Maximaal
uitgangsvermogen:
Pi (W)
RTD
30
2,31
SuperModule
7,14
300
Maximale
externe
parameters:
Ci (nF)
Li (μH)
17,32
0
0
887
110
0
5. De kabels tussen dit product en bijbehorende apparatuur moeten
afgeschermde kabels zijn. De afscherming moet goed worden geaard in een
niet-gevaarlijke omgeving.
6. Het product moet worden gebruikt met een bijbehorend instrument met
Ex-certificering om een explosiebeschermingssysteem te verkrijgen dat in een
explosieve gasatmosfeer kan worden gebruikt. De bedrading en
aansluitklemmen moeten voldoen aan de voorschriften in de
instructiehandleiding van het product en de bijbehorende apparatuur.
7. Het is eindgebruikers niet toegestaan om onderdelen te verwisselen; ze
dienen contact op te nemen met de fabrikant om beschadiging van het
product te voorkomen.
8. Bij installatie in een explosiegevaarlijke omgeving moeten kabelwartels,
kabelbuizen en afsluitpluggen worden gebruikt die zijn gecertificeerd als
beschermingstype DIP A20 IP66 door inspectieorganen die handelen in
opdracht van de overheid. Ongebruikte kabelopeningen moeten met
afsluitpluggen worden afgesloten.
9. Bij installatie, gebruik en onderhoud in een explosieve stofatmosfeer moet de
waarschuwing “Niet openen in aanwezigheid van explosieve stofatmosfeer” in
acht worden genomen.
10. Onderhoudswerkzaamheden moeten worden verricht als er geen atmosfeer
met explosief stof is.
11. Bij installatie, gebruik en onderhoud van dit product moeten de volgende
normen in acht worden genomen:
GB3836.13-1997 “Electrical apparatus for explosive gas atmospheres Part 13:
Repair and overhaul for apparatus used in explosive gas atmospheres”
GB3836.15-2000 “Electrical apparatus for explosive gas atmospheres Part 15:
Electrical installations in hazardous area (other than mines)”
GB3836.16-2006 “Electrical apparatus for explosive gas atmospheres Part 16:
Inspection and maintenance of electrical installation (other than mines)”
GB50257-1996 - “Code for construction and acceptance of electric device for
explosion atmospheres and fire hazard electrical equipment installation
engineering”
EAC – Wit-Rusland, Kazachstan, Rusland
EM Technisch voorschrift douane-unie (EAC) drukvast
Certificaat: RU C-US.GB05.B.00835
Markeringen: Ga/Gb Ex d IIC T6…T4 X
34
IM Technisch voorschrift douane-unie (EAC) intrinsieke veiligheid
Certificaat: RU C-US.GB05.B.00835
Markeringen: 0Ex ia IIC T4 Ga X
Snelstartgids
Mei 2015
Japan
E4 Japan drukvast
Certificaat: TC19070, TC19071, TC19072, TC19073
Markeringen: Ex d IIC T6
Republiek Korea
EP Republiek Korea drukvast
Certificaat: 12-KB4BO-0180X [vervaardigd in VS], 11-KB4BO-0068X [vervaardigd in
Singapore]
Markeringen: Ex d IIC T5 of T6
IP Republiek Korea intrinsieke veiligheid
Certificaat: 10-KB4BO-0021X [Vervaardigd in VS, SMMC]
Markeringen: Ex ia IIC T4
Combinaties
K1 Combinatie van E1, I1, N1 en ND
K2 Combinatie van E2 en I2
K5 Combinatie van E5 en I5
K6 Combinatie van E6 en I6
K7 Combinatie van E7, I7 en N7
KA Combinatie van E1, I1, E6 en I6
KB Combinatie van E5, I5, E6 en I6
KC Combinatie van E1, I1, E5 en I5
KD Combinatie van E1, I1, E5, I5, E6 en I6
KM Combinatie van EM en IM
KP Combinatie van EP en IP
Verdere certificeringen
SBS
Typegoedkeuring American Bureau of Shipping (ABS)
Certificaat: 00-HS145383
Beoogd gebruik: Meting van de verschil- of absolute druk in vloeistof-, gas- en
damptoepassingen op vaartuigen, scheeps- en offshore-installaties van
klasse ABS.
SBV
Typegoedkeuring Bureau Veritas (BV)
Certificaat: 31910/A0 BV
Vereisten: Bureau Veritas-regels voor de classificatie van stalen schepen
Toepassing: Klassenotaties: AUT-UMS, AUT-CCS, AUT-PORT en AUT-IMS
35
Mei 2015
Snelstartgids
SDN
Typegoedkeuring Det Norske Veritas (DNV)
Certificaat: A-13243
Beoogd gebruik: Regels van Det Norske Veritas voor classificatie van vaartuigen,
snelle en lichte vaartuigen, en offshore-normen van Det Norske Veritas
Toepassing:
Locatieklassen
36
Type
3051S
Temperatuur
D
Luchtvochtigheid
B
Trilling
A
EMC
A
Behuizing
D / IP66 / IP68
SLL
Typekeuring Lloyds Register (LR)
Certificaat: 11/60002(E3)
Toepassing: Omgevingscategorie ENV1, ENV2, ENV3 en ENV5
D3
Punt van overdracht — nauwkeurigheidsgoedkeuring Measurement Canada
Certificaat: AG-0501, AV-2380C
Mei 2015
Snelstartgids
Afbeelding 18. EG-verklaring van overeenstemming voor druktransmitter
3051SMV en 300SMV
37
Snelstartgids
38
Mei 2015
Mei 2015
Snelstartgids
39
Snelstartgids
40
Mei 2015
Snelstartgids
Mei 2015
(*YHUNODULQJYDQRYHUHHQVWHPPLQJ
1U50'5HY(
:LM
5RVHPRXQW,QF
0DUNHW%RXOHYDUG
&KDQKDVVHQ01
86$
YHUNODUHQRQGHURQ]HYROOHGLJHYHUDQWZRRUGHOLMNKHLGGDWKHWSURGXFW
'UXNWUDQVPLWWHUVPRGHOOHQ609HQ609
YHUYDDUGLJGGRRU
5RVHPRXQW,QF
0DUNHW%RXOHYDUG
&KDQKDVVHQ01
86$
ZDDURSGH]HYHUNODULQJEHWUHNNLQJKHHIWLQRYHUHHQVWHPPLQJLVPHWGHEHSDOLQJHQLQGH
ULFKWOLMQHQYDQGH(XURSHVH*HPHHQVFKDSPHWLQEHJULSYDQGHPHHVWUHFHQWHZLM]LJLQJHQZHONH
VWDDQYHUPHOGLQELMJHYRHJGVFKHPD
'HDDQQDPHYDQRYHUHHQVWHPPLQJLVJHEDVHHUGRSGHWRHSDVVLQJYDQGHJHKDUPRQLVHHUGH
QRUPHQHQZDDUYDQWRHSDVVLQJRIYHUHLVWFHUWLILFHULQJGRRUHHQDDQJHPHOGHLQVWDQWLHYDQGH
(XURSHVH*HPHHQVFKDS]RDOVYHUPHOGLQKHWELMJHYRHJGHVFKHPD
9LFH3UHVLGHQWRI*OREDO4XDOLW\
IXQFWLH±LQEORNOHWWHUV
.HOO\.OHLQ
IHEUXDUL
QDDP±LQEORNOHWWHUV
GDWXPYDQXLWJLIWH
3DJLQDYDQ
'RFXPHQWUHYB$BGXW
41
Mei 2015
Snelstartgids
(*YHUNODULQJYDQRYHUHHQVWHPPLQJ
1U50'5HY(
(0&ULFKWOLMQ(*
$OOHPRGHOOHQYDQGHGUXNWUDQVPLWWHUV609HQ609
7RHJHSDVWHQRUPHQ
(1(1
5LFKWOLMQGUXNDSSDUDWXXU(*
Druktransmitters van model 3051SMV en 300SMV
$OOHHQGUXNWUDQVPLWWHUYDQPRGHO609PHWVWDWLVFKHGUXNEHUHLNRRNPHW
RSWLHV3HQ3
%HRRUGHOLQJVFHUWLILFDDWNZDOLWHLWVV\VWHHP±(&+28'19
2YHUHHQVWHPPLQJVEHRRUGHOLQJPRGXOH+
(YDOXDWLHQRUPHQ
$16,,6$
$OOHRYHULJHPRGHOOHQ
*RHGYDNPDQVFKDS6RXQG(QJLQHHULQJ3UDFWLFH
+XOSVWXNNHQWUDQVPLWWHUVFKHLGLQJVPHPEUDDQ±SURFHVIOHQV±YHUGHHOVWXN
*RHGYDNPDQVFKDS6RXQG(QJLQHHULQJ3UDFWLFH
)ORZPHWHUWUDQVPLWWHUVYDQPRGHO6)[
=LH'6,9HUNODULQJYDQRYHUHHQVWHPPLQJYRRULQIRUPDWLHRYHUGH6)
VHULHIORZPHWHU
42
3DJLQDYDQ
'RFXPHQWUHYB$BGXW
Snelstartgids
Mei 2015
(*YHUNODULQJYDQRYHUHHQVWHPPLQJ
1U50'5HY(
$7(;ULFKWOLMQ(*
'UXNWUDQVPLWWHUVPRGHOOHQ609609
%$6$7(;;±LQWULQVLHNYHLOLJ
*URHS,,FDWHJRULH*
([LD,,&7*D
7RHJHSDVWHQRUPHQ
(1(1
%$6$7(;;±W\SHQ
*URHS,,FDWHJRULH*
([Q$,,&7*F
7RHJHSDVWHQRUPHQ
(1(1
%$6$7(;;±VWRI
*URHS,,FDWHJRULH'
([WD,,,&7ƒ&7ƒ&'D
7RHJHSDVWHQRUPHQ
(1(1
Voor 3051SMV-transmitters, 300SMV-behuizingen, 3051SFx-flowmeters zonder RTDoptie:
.(0$$7(;;±FHUWLILFDDWGUXNYDVWKHLG
$SSDUDWXXUJURHS,,FDWHJRULH*
([G,,&7«7*D*E
7RHJHSDVWHQRUPHQ
(1(1(1
Voor 3051SFx-flowmeters met RTD-opties:
.(0$$7(;;±FHUWLILFDDWGUXNYDVWKHLG
$SSDUDWXXUJURHS,,FDWHJRULH*
([G,,&77*D*E
*HKDUPRQLVHHUGHQRUPHQ
(1(1
2YHULJHWRHJHSDVWHQRUPHQ
(1
3DJLQDYDQ
'RFXPHQWUHYB$BGXW
43
Mei 2015
Snelstartgids
(*YHUNODULQJYDQRYHUHHQVWHPPLQJ
1U50'5HY(
(HQYHUJHOLMNLQJPHW(1GLHJHKDUPRQLVHHUGLVZLMVWQLHW
RSVLJQLILFDQWHZLM]LJLQJHQGLHUHOHYDQW]LMQYRRUGH]HDSSDUDWXXUGXV
(1EHVFKULMIWQRJVWHHGVGH³VWDQGYDQGHWHFKQLHN´
$DQJHPHOGHLQVWDQWLH5LFKWOLMQ'UXNDSSDUDWXXU
'HW1RUVNH9HULWDV>QUDDQJHPHOGHLQVWDQWLH@
9HULWDVYHLHQ1
+RYLN1RRUZHJHQ
$DQJHPHOGHLQVWDQWLHYROJHQV$7(;YRRURQGHU]RHNVFHUWLILFDDWW\SH(*
'(.5$.(0$>QXPPHUDDQJHPHOGHLQVWDQWLH@
8WUHFKWVHZHJ$5$UQKHP
3RVWEXV('$UQKHP
1HGHUODQG
3RVWEDQN
%DVHHID>QXPPHUDDQJHPHOGHLQVWDQWLH@
5RFNKHDG%XVLQHVV3DUN
6WDGHQ/DQH
%X[WRQ'HUE\VKLUH
6.5=9HUHQLJG.RQLQNULMN
$DQJHPHOGHLQVWDQWLHYRRUNZDOLWHLWVERUJLQJYROJHQV$7(;
%DVHHID>QXPPHUDDQJHPHOGHLQVWDQWLH@
5RFNKHDG%XVLQHVV3DUN
6WDGHQ/DQH
%X[WRQ'HUE\VKLUH
6.5=9HUHQLJG.RQLQNULMN
44
3DJLQDYDQ
'RFXPHQWUHYB$BGXW
Snelstartgids
00825-0111-4803, Rev. DA
Mei 2015
Internationaal hoofdkantoor
Emerson Process Management
6021 Innovation Blvd
Shakopee, MN 55379, VS
+1 800 999 9307 of +1 952 906 8888
+1 952 949 7001
[email protected]
Emerson Process Management bv
Postbus 212
2280 AE Rijswijk
Nederland
(31) 70 413 66 66
(31) 70 390 68 15
[email protected]
www.emersonprocess.nl
Regionaal kantoor Noord-Amerika
Emerson Process Management
8200 Market Blvd.
Chanhassen, MN 55317, VS
+1 800 999 9307 of +1 952 906 8888
+1 952 949 7001
[email protected]
Emerson Process Management nv/sa
De Kleetlaan, 4
B-1831 Diegem
België
(32) 2 716 7711
(32) 2 725 83 00
www.emersonprocess.be
Regionaal kantoor Latijns-Amerika
Emerson Process Management
1300 Concord Terrace, Suite 400
Sunrise, Florida 33323, VS
+1 954 846 5030
+1 954 846 5121
[email protected]
Regionaal kantoor Europa
Emerson Process Management Europe GmbH
Neuhofstrasse 19a Postfach 1046
CH 6340 Baar
Zwitserland
+41 (0) 41 768 6111
+41 (0) 41 768 6300
[email protected]
Regionaal kantoor Azië/Pacific
Emerson Process Management Asia Pacific Pte Ltd
1 Pandan Crescent
Singapore 128461
+65 6777 8211
+65 6777 0947
[email protected]
Regionaal kantoor Midden-Oosten en
Afrika
Emerson Process Management
Emerson FZE P.O. Box 17033,
Jebel Ali Free Zone - South 2
Dubai, Verenigde Arabische Emiraten
+971 4 8118100
+971 4 8865465
[email protected]
© 2015 Rosemount Inc. Alle rechten voorbehouden. Alle merken eigendom
van de merkhouder.
Het Emerson-logo is een handelsmerk en dienstmerk van Emerson Electric Co.
AMS, MultiVariable, Rosemount en het Rosemount-logo zijn gedeponeerde
handelsmerken van Rosemount Inc.
HART is een gedeponeerd handelsmerk van de FieldComm Group.
Microsoft is in de Verenigde Staten en andere landen een gedeponeerd
handelsmerk van Microsoft Corporation.
Windows is een handelsmerk van Microsoft Corporation in de Verenigde
Staten en andere landen.